vrijdag 28 maart 2014

Britse gevangen mogen geen boeken meer ontvangen (Knack)

Julian Barnes, SalmanRushdie, Ian McEwan en nog tachtig Britse schrijvers – allemaal protesteerden ze woensdag tegen een verbod op het ontvangen van boeken door gevangenen.

Britse gevangen mogen al sinds november geen pakjes meer ontvangen. Behalve boeken gaat het om spullen als tijdschriften, verjaardagskaarten, sokken en ondergoed. De regering wil met deze maatregel gevangen stimuleren om beter gedrag te vertonen. Dat de regels pas deze week tot een storm van protest leidde, kwam door een online column die Frances Cook, directeur van een organisatie voor hervorming van het strafsysteem, zondag jongstleden aan de kwestie besteedde.

De schrijvers laten in een open brief aan de conservatieve minister van Justitie Chris Grayling weten dat zij begrijpen dat gevangen prikkels nodig hebben om zich beter te gedragen. Maar: educatie en lezen horen niet bij zo'n beleid. 'Boeken zijn van vitaal belang achter de tralies, een manier om de geest te voeden en de vele uren in de cel te vullen. Zeker in een omgeving zonder internet en beperkte toegang tot bibliotheken zijn boeken nog belangrijker.'

Volgens de Britse regering behouden gevangen via gevangenisbibliotheken wel degelijk toegang tot boeken. Zij mogen er maximaal twaalf tegelijk in hun cel hebben. Als zij zich goed gedragen kunnen zij de beschikking over een groter deel van hun inkomen, waarmee ze indien gewenst boeken kunnen kopen. Frances Cook zei daarop dat de regering ook bezuinigt op bibliotheken. Juist gevangenisbibliotheken worden daardoor getroffen. Daarbij is het inkomen van gevangen zo laag (10 tot 13,50 pond per week) dat het niet realistisch is te denken dat zij daar boeken van kopen.

'Het is niet ongebruikelijk dat gevangen doordeweeks tot twintig uur per dag in hun cel zitten', aldus Cook. 'In het weekend is het zelfs niet ongebruikelijk als ze van vrijdag na de lunch tot maandagochtend onafgebroken opgesloten zitten. In zulke omstandigheden kunnen kleine dingen, zoals het lezen van een boek, een verschil maken. Hoewel velen geen boek willen lezen gedurende deze eindeloze uren, heb ik in de gevangenis veel jongens ontmoet die gretig lezen.'

Veel schrijvers vielen haar bij. Thrillerschrijver Ian Rankin zei: 'Van bezoeken aan gevangenissen en praten met gevangen weet ik hoe belangrijk boeken zijn voor het bestrijden van laaggeletterdheid en het in contact brengen van gevangenen met de samenleving.' Mary Beard, auteur van diverse werken over de klassieke oudheid, vond het 'gek' om het te verbieden om boeken aan gevangen te sturen. 'Boeken voeden op en zorgen voor herintegratie.'


Quick Reads, een organisatie die boeken in makkelijk Engels voor laaggeletterden maakt, wees er in het Britse vakblad The Bookseller op dat 'de helft van de gevangenen slechte taalvaardigheden heeft. Als zij meer vaardigheden verwerven, is de kans veel kleiner dat zij recidiveren. Veel ex-gevangen hebben gerapporteerd dat zij in de gevangenis zijn begonnen met lezen en dat het een positieve impact heeft op hun levens. Boeken zijn ook een belangrijke manier om te communiceren met familie.'
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 27 mrt 2014)

Zie ook:

woensdag 26 maart 2014

Bernlef, 'Wit geld' (BOEK)

Het is dat ze mobieltjes hebben

Toen Bernlef in 2012 ongeneeslijk ziek werd, mailde hij al zijn voltooide manuscripten naar zijn uitgeverij. Dat staat in de verantwoording van zijn postuum verschenen verhalenbundel Wit geld. Onvermeld blijft of dat alleen recent voltooide teksten zijn of dat de auteur zijn archiefkast heeft uitgespit.
Afgaand op de nieuwe bundel zou je denken: het laatste. Net als bijvoorbeeld zijn verhalenbundel Helpme herinneren (2012) krijg je het gevoel dat Bernlef niet meer met de tijd mee is. Personages die praten over 'aangenaam verpozen' of lijm 'solutie' noemen – en toch geen tachtigplussers zijn. Of een schrijver die met een typemachine werken. Het is dat deze karakters ook mobieltjes hebben, daarom moet je wel concluderen dat de verhalen betrekkelijk recent zijn.
Niet alle verhalen in Wit geld zijn dus even geslaagd. Soms is het niet meer dan een schijnbaar afgeraffeld en flauw uitgewerkt ideetje. 'Tsunami', over de vraag of een inbraak je ook iets afneemt als niets wordt meegenomen. Of 'Een ander land', over het wezen van een depressie. Sla je die gerust over.
Maar je moet een schrijver natuurlijk beoordelen op zijn beste werk. Dan laat Bernlef ook in Wit geld zien wat voor een vakman hij was. Het titelverhaal, hoewel ook te losjes geschreven, laat mooi zien hoe een brave burger met zijn verlangen naar iets groters uiteindelijk zijn dromen moet opgeven.
En 'Bevrijding', met honderd pagina's in meerdere opzichten het hoogtepunt van de bundel, is een kale, beheerste vertelling, waarin Bernlef heel fraai weergeeft hoe een argeloze, goedwillende jongen na de verwarrende bevrijding na de Tweede wereldoorlog een heel ander soort bevrijding opzoekt.

BernlefWit geld (252 p.) – Querido, € 19,95 (e-book € 15,99)
(Eerder gepubliceerd in BOEK 1, 2014)

Zie ook:

dinsdag 25 maart 2014

Scholieren lezen het liefst een Librisprijs-winnaar

Tommy Wieringa wint de Inktaap met Dit zijn de namen – dat was het nieuws gisteren. Dus ook: de Librisprijswinnaar krijgt de Inktaap, aangezien voor deze scholierenprijs alleen de winnaars van de drie grote prijzen in aanmerking komen (en, sinds kort, ook een Caribisch boek). En dat was voor de zesde keer. Daarmee scoort de Libriswinnaar het best onder scholieren. De Gouden Boekenuil won vijf keer en de AKO Literatuurprijs slechts één keer. Wat zegt dat over de jury's van deze prijzen? Dat de Librisjury echt het beste boek uitverkiest? Dat de Librisjury een smaak heeft die het dichtst bij jongeren ligt? Of kun je er geen enkele conclusie uit trekken? Is het allemaal toeval?

Een overzicht van de Inktaapwinnaars:

2014: Tommy Wieringa – Dit zijn de namen (Libris)
2013: David Pefko – Het voorseizoen 
(Gouden Uil)
2012: Yves Petry – De maagd Marino (Libris)
2011: Bernard Dewulf – Kleine dagen
 (Libris)
2010: Robert Vuijsje – Alleen maar nette mensen (Gouden Uil)
2009: A.F.Th. van der HeijdenHet schervengericht 
(AKO)
2008: Dimitri VerhulstDe helaasheid der dingen
 (Gouden Uil)*
2007: Henk van Woerden –  Ultramarijn
 (Gouden Uil)
2006: Willem Jan Otten – Specht en zoon (Libris)
2005: Arthur Japin – Een schitterend gebrek 
(Libris)
2004: Tom LanoyeBoze tongen 
(Gouden Uil)
2003: Harry Mulisch –  Siegfried
**
2002: Tomas Lieske – Franklin (Libris)

* Won de Gouden Uil Prijs van de Lezer

** Won geen enkele grote prijs. Werd kennelijk om andere redenen genomineerd.

maandag 24 maart 2014

Coetzee over de toon van een boek

'In je laatste brief borduur je voort op de discussie over fictieve ruimten en vraag je wat ik voor mijn innerlijk oog zie als ik in een boek lees dat er een oude vrouw was die met haar dochter in een hut aan de rand van het bos woonde. Vergeleken met jou lijk ik over een nogal schamele visuele verbeelding te beschikken. Tijdens het normale leesproces "zie" ik volgens mij helemaal niets. Pas wanneer jij langskomt en een verslag eist, begin ik voor mijn geestesoog retrospectief een rudimentaire oude vrouw, en een dochter, en een hut, een bos in elkaar te knutselen.
Waar ik over lijk te beschikken, in plaats van een visueel voorstellingsvermogen, is iets wat ik vagelijk een aura of tonaliteit noem. Als mijn gedachten teruggaan naar een bepaald boek dat ik ken, lijk ik een uniek aura op te roepen, dat ik natuurlijk niet onder woorden kan brengen zonder het boek in feite te herschrijven.'
(J.M. Coetzee aan Paul Auster in hun correspondentie Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011)

Ik ben dus niet de enige. Ik zou niet durven beweren dat ik het lezen van een boek op dezelfde manier onderga als Coetzee. Maar: een toon – dat is wat ik ervaar, dat is wat me van een boek het meest blijf hangen.

Zie ook hier wat ik schreef naar aanleiding van Trein met vertraging van Christophe van Gerrewey.

zaterdag 22 maart 2014

Wie was Alphons Bobrownitzki? Gerard Reves debuut ontrafeld (Knack)

Met De ondergang van de familie Boslowits beschreef Gerard Reve het lot van Alphons Bobrownitzki en zijn gezin. Igor Cornelissen richtte een monumentje op voor het model van een literaire held.

Dat De ondergang van de familie Boslowits van Gerard Reve is gebaseerd op waargebeurde feiten was al langer bekend. Zijn vader zei het meer dan veertig jaar geleden: de personages uit de novelle, waarmee Reve in 1946 debuteerde in het literaire tijdschrift Criterium, 'hebben stuk voor stuk bestaan, die waren precies zo als hij ze beschrijft'. Broer Karel van het Reve beaamde dat later. Maar wie waren dan de familieleden, die de verteller leert kennen op een kinderfeestje rond 1930 en die later slachtoffer werden van de Holocaust?

De journalist Igor Cornelissen zocht het uit – eerst voor het tijdschrift De Parelduiker, nu nog uitgebreider in het boekje Wie was Hans Boslowits? Gerard Reves debuut ontrafeld. Alphons Bobrownitzki, zoals hij blijkt te hebben geheten, werd in 1893 geboren als derde van zeven kinderen in een Pools emigrantengezin dat zich kort daarvoor in Venlo had gevestigd. Hij was al jong actief in de Communistische Partij, waar hij een aanzienlijke positie had. Hij kende een voorspoedig carrière in de textielindustrie – tot een venerische ziekte hem arbeidsongeschikt maakte.

Dat is het moment waarop Bobrownitzki met zijn vrouw en twee psychisch gemankeerde zonen naar Amsterdam verhuisde en nader kennismaakte met het gezin-Van het Reve. Op het feestje waarop dat gebeurde, hield de oudste zoon een tak van de kerstboom dicht boven de brandende kaars voor zijn bord, tot een tak begon te knetteren en zich aan het vuur schroeide en de ouders ingrepen. Althans, zoals de destijds zevenjarige Reve het volgens De ondergang van de familie Boslowits heeft meegemaakt.

Er is weinig te vinden over Alphons Bobrownitzki, van wie zo veel familieleden zijn vermoord door de nazi's. Toch weet Cornelissen, gesteund door de feiten die Reve geeft, een goed beeld van zijn leven te schetsen aan de hand van het milieu van Moskou-getrouwen waarin hij verkeerde. Ook de vondst van het archief van de instelling waarin zijn oudste zoon enige tijd was opgesloten, geeft een mooie verklaring waarom zijn fictionele dubbelganger zich zo merkwaardig hooghartig gedraagt. Altijd weet de jonge Boslowits alles beter.

Zo ontroerend als de novelle is Cornelissen journalistieke werk uiteraard niet. Het onbenoemd laten van de oorzaak van de ondergang van de familie Boslowits maakt het lezen van de novelle onverminderd indringend – hedendaagse lezers kennen de oorzaak namelijk wél. Maar Reve's boek blijft fictie. Boslowits is een verzonnen figuur. Zonder Cornelissens speurwerk zou Bobrownitzki daarom zijn opgelost in de mist van de geschiedenis zoals zo veel andere Holocaust-slachtoffers. Met Wie was Hans Boslowits? richt hij een klein, maar waardevol monumentje voor hem op.

De ondergang van de familie Boslowits lijdt, zijn reputatie als ontroerend meesterwerk ten spijt, zeventig jaar na publicatie aan al te archaïsch taalgebruik. Reve heeft nog niet de vaardigheid verworven om de ouderwetse formuleringen met een ironische onderlaag te kruiden. 'Sedertien werden er wederzijds geregeld bezoeken afgelegd.' Of: 'de overschrijding van de grenzen van Nederland, België en Luxemburg'. Dat is alleen maar oubollig. Maar het zou zonde zijn als de novelle op korte termijn uit druk is en ook Alphons Bobrownitzki opnieuw, en ditmaal voorgoed, in de vergetelheid zakte. (Eerder gepubliceerd op Knack.be, 20 maart)

Zie ook:

maandag 17 maart 2014

Robert Anker, 'Schuim' (BOEK)

Muziek is maar schuim, denkt de wereldvermaarde violiste Lisette Wagenaar nadat ze door een burn-out bij een optreden is ingestort. 'Je kunt er prachtige bellen van blazen, iriserend, doorzichtig en pats, dan zijn ze weg.' Hoe kon ze ooit haar bestaan funderen op muziek? Is er niet iets stevigers? Een man om van te houden? Een familie waar je altijd op terug kunt vallen?
De kracht van de liefde – daar gaat Robert Ankers zesde roman Schuim over. Maar niet zoals in de romantische fictie gebruikelijk is: de liefde als een opbouwende kracht, waarop je altijd kunt terugvallen. Bij Anker kan liefde ook verwoestend of ongrijpbaar zijn, of een middel om gunsten te verwerven. Niet alle personage komen in hun zoektocht naar liefde dan ook ongeschonden uit de strijd.
Toch is liefde de enige rots in het menselijke bestaan. Want niet alleen muziek is schuim. Alles is schuim. Het vermogen en de goede naam van Lisette's vader Dirk – er hoeft maar dit te gebeuren of het is verdampt. Het geloof van dominee Niels Hemming, een vriend van de familie Wagenaar. Als hij dat kwijt is, dreigt hij bij ontdekking alles te verliezen wat het geloof hem heeft gebracht.
Anker heeft dit overbekende thema uitgewerkt in een intelligent en hyperrealistisch verhaal, waarin de karakters allemaal één aspect van de liefde vertegenwoordigen. Maar het belangrijkste is: Anker deed dit in een dynamische stijl, als een snelstromende rivier, die bruist van leven. Want als ook literatuur maar schuim is, laat het dan ook echt schuimen. Aan het doodse water van slechte literatuur heeft niemand wat.

Robert Anker Schuim (304 p.) – Querido, € 19,99 (e-book € 13,99)
(Eerder gepubliceerd in BOEK 1/2014)

woensdag 12 maart 2014

Van taalanorexia moet ambachtsman Weijts niets hebben (Knack)

Christiaan Weijts is een ouderwetse, romantische vakman. Die conclusie dringt zich op na lezing van Achternamiddagen, zijn bundel teksten over lezen en schrijven.

Een achternamiddag is een onverwacht vrijgekomen moment, als het echte werk is gedaan en je opeens tijd hebt om bij te praten met een collega, uit te puffen met een glas bier of nog snel wat extra werk te verzetten waar je nooit op had gerekend. Dat Christiaan Weijts zijn bundel columns en essays over lezen en schrijven Achternamiddagen heeft genoemd, geeft dus aan dat hij ze in de eerste plaats als voetnoten bij zijn romans beschouwt. Korte beschouwingen die hij heeft genoteerd zonder er meer denkwerk aan te besteden dan nodig was.

Die indruk kan bedrieglijk zijn. Weijts heeft wel degelijk zijn best gedaan op deze teksten. De bespiegelingen hadden niet misstaan in zijn zeer essayistische romans. Zo diepgravend en verrassend zijn ze wel. Ook heeft hij ze in een zinvol verband geplaatst. Alle teksten zijn zorgvuldig in drie afdelingen ondergebracht: schrijven, lezen en gelezen worden. Deze afdelingen worden doorsneden door een 'zelfportret in alfabet': een eclectisch geheel van autobiografische herinneringen, observaties en mini-essays, afwisselend gespreven vanuit een ik-, jij- en hij-perspectief.

Het eerste dat opvalt is de vakman die Weijts wil zijn. Een schrijver moet zijn lezers verbluft achterlaten, omdat hij zijn mechanieken en trucks vakkundig heeft weggewerkt achter een glanzend plot. Hij dient hen vanaf de eerste pagina 'toeschouwer' te maken – hem 'dwars door de letters heen een wereld [doen] binnentuimelen'. En hij gebruikt daarvoor taal die de lezers de illusie geven 'dat hij het zelf ook had gekund, en dat jij per ongeluk net wat eerder was'. Maar wel met zwier. Van 'taalanorexia' moet Weijts niets hebben.

Het helderst komt Weijts verlangen om een toegewijd ambachtsman te zijn, tot uiting in een column die helemaal niet over schrijven gaat maar niet voor niets bij deze afdeling is ondergebracht. In drie pagina's vertelt hij dat hij ooit, in haast, in een op dit uur nog verlaten trattoria in Venetië om een spaghetti vongole vraagt. Ook al staat het niet op de kaart, de kok doet voor hem zijn uiterste best – alsof het de lekkerste maaltijd van de dag moet zijn. Dát is schrijven: ongeacht wat het oplevert, proberen met plezier en smaak de lezers een opperst genot bieden.

Tegelijkertijd gaat dit vakmanschap gepaard met een onverbloemd romantisch verlan-gen naar een ouderwets schrijverschap. Schrijfcursussen? Daar gelooft Weijts niet in: alleen door te lezen kan een schrijver het ambacht onder de knie krijgen. Door Bourdieu geïnspireerde exegeten die het meer om de context van het meesterwerk gaat dan het meesterwerk zelf? Zonde dat die de leerstoelen moderne letterkunde bezetten. Het verdwijnen van het handschrift? Het schokt Weijts dat zelfs zelfmoordbriefjes digitaal worden. Of literaire tijdschriften? Die ondergang moet voorkomen worden.

Het liefst ziet Weijts dat de zegeningen van de moderne tijd zich tégen de moderne technieken keren. Op zoek naar een hotelkamer in Rome, zo schrijft hij, ontdekt hij dat je online nergens op kunt vertrouwen. Niet op de beschrijvingen van een riant ontbijtbuffet of de charmante, authentieke wijk. En niet op de onafhankelijke beoordelingen van eerdere bezoekers, die kunnen zijn geschreven door de hotelier zelf. Conclusie: 'Ik leg mij erbij neer en accepteer dat reizen weer het ongewisse avontuur is dat het was in de tijd van Goethe', besluit hij vergenoegd.

Dat hoeft niet in de weg te zitten – zolang Weijts zijn pretenties waarmaakt en eersteklas, met zwier geschreven vakwerk aflevert. Dat doet hij in Achternamiddagen. Hoewel er al veel soortgelijke boeken over lezen en schrijven bestaan, laat Weijts zijn lezers regelmatig opveren. Zelfs in de oudbakken redenering (zoals de auteur overigens toegeeft) dat een schrijver het sterkst verrast als hij de lezer het gevoel geeft dat hij het zelf zo had kunnen formuleren, schrijft Weijts het zó op dat het is alsof je een schrijver het voor het eerst ziet uitleggen.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be)

Zie ook:

dinsdag 11 maart 2014

Waarom BN'ers 'Mijn bieb moet blijven' ondersteunen (Bibliotheekblad)

Talrijke bekende Nederlanders hebben – aangespoord door de Vereniging van Openbare Bibliotheken – de petitie 'Mijn bieb moet blijven' ondertekend, die op 12 maart wordt aangeboden aan minister Jet Bussemaker (OCW). Schrijvers, politici, bestuurders en anderen. Waarom? Bibliotheekblad.nl vroeg het aan Jean Beddington (kok), Ad van Liempt (schrijver / programmamaker), Alexander Rinnooy Kan (hoogleraar economie en bedrijfskunde) en Willie Wartaal (De Jeugd van Tegenwoordig).

Waarom vindt u de bibliotheek zo belangrijk dat u de petitie hebt ondertekend?
Ad van Liempt: 'Ik ben een kind van bibliotheken. Ik heb er vroeger honderden boeken geleend. Toen ik nog geen geld had om boeken te kopen, waren bibliotheken de entree naar boeken. Dat is misschien een nostalgische reden om voor de bibliotheek te pleiten. Maar ik heb ook voorbeelden van moderne bibliotheken in Amsterdam en Den Haag gezien, waar wordt gelezen én gestudeerd. Als je op een zondag in de OBA ziet hoeveel jongeren daar zijn en hoe hoog het percentage bezoekers van niet-Nederlandse afkomst. Daar word ik heel optimistisch van. Bibliotheken ontwikkelen zich zo tot openbare kennis- en studiecentra. We mogen niet te licht beslissen om die te sluiten.'
Jean Beddington: 'De bibliotheek is een mooie, serene plek waar je rustig kunt zitten zonder geluid van buiten af. Er worden geen telefoons gebruikt. Waar kom je dat tegenwoordig nog tegen? Ik hoorde laatst dat mensen die heel mooi piano spelen dat in de grote vestiging bij het centraal station van Amsterdam kunnen doen. Dan hoor je alleen de piano. Dat vind ik zo'n mooi idee. De bibliotheek is vooral belangrijk voor kinderen, als plek om boeken te vinden die ze mee naar huis kunnen nemen. En voor ouderen. Ik woon om de hoek van het filiaal aan het Roelof Hartplein. Dat is een heel leuke ontmoetingsplek voor ouderen.'
Alexander Rinnooy Kan: 'Dat ik de petitie heb ondertekend zonder daar eerst lang over na te denken heeft veel te maken met mijn eigen herinnering. De bibliotheek was mijn kennismaking met boeken en literatuur. Die kennismaking, die hoort bij een compleet mensenleven, gun ik iedereen. Ik ben een groot fan van de bibliotheek. De directeur van de bibliotheek in Amsterdam vertelde mij ooit wie zijn belangrijkste klanten waren: allochtone meisjes. Dat vind ik ongelooflijk bemoedigend. Dat zij naar een bibliotheek in de buurt kunnen en dat daar de wereld zich voor hen opent. Dat moet behouden blijven.'
Willie Wartaal: 'De Jeugd heeft getekend uit puur eigenbelang. Ik vond het zelf heel leuk in de bibliotheek in Amsterdam-Oost, waar je ook cd's kon lenen. Ik kan wel zeggen dat het goed is dat mensen lezen blablabla en dat kinderen naar de bibliotheek gaan blablabla, maar ik wil gewoon dat andere mensen dezelfde vette tijd in de bibliotheek hadden als ik. Het hoort ook bij een welvarend land dat de bibliotheek blijft.'

Mag er op de bibliotheek helemaal niet bezuinigd worden?
Ad van Liempt: 'Ik kan dat niet overzien. Ik sprak laatst een gemeenteraadslid van een grote stad, die me vertelde: bibliotheken moeten wel betaald worden. Er komen minder mensen, er moet zoveel geld bij – dan kan het wellicht beter zijn een aantal vestigingen te sluiten en één grotere bibliotheek te versterken. Het kan best dat dat een betere oplossing is dan alle bestaande vestigingen tot in de eeuwigheid open te houden. We moeten het praktisch en realistisch bekijken. Maar dát we geld opzij moeten zetten om bibliotheken om te vormen tot aantrekkelijke kenniscentra, spreekt voor zich.'
Jean Beddington: 'Absoluut niet. Er moet juist in bibliotheken worden geïnvesteerd. In digitale mogelijkheden en in meer kleine vestigingen. De jeugd moet nu helemaal de stad in. Steeds vaker heb je in grote steden maar één heel grote vestiging. De bibliotheek moet juist de wijk in. Of het platteland op. In Engeland [waar Beddington is geboren en getogen, md] kwam er bij ons ook eens in de week een bus langs. Heerlijk vond ik dat. Ik heb daardoor in mijn jeugd heel veel kunnen lezen.'
Alexander Rinnooy Kan: 'Het is niet denkbeeldig dat de bezuinigingen slachtoffers maken. Voor zover ik zicht heb op de plannen wordt in ieder geval de geografische spreiding bedreigd. Dat is een zorgwekkende ontwikkeling. Ik kan alleen maar hopen dat het meevalt.'

Moet de rol van de bibliotheek veranderen in de 21e eeuw?
Ad van Liempt: 'De functie van de bibliotheek verschuift. Als ik onderzoek doe, moest ik vroeger naar het archief. Nu kan ik dat deels thuis doen. Maar er is ook een contrabeweging: kijk naar de hoeveelheid jongeren die bij elkaar komen in de bibliotheek, het gezellig maken, maar ook elkaar verder helpen met hun studie. Ze moeten studieopdrachten vaak ook in groepen doen. Ze klikken dus in de bibliotheek hun laptop open, lenen tegelijk boeken, maken gebruik van de kennisinfrastructuur, met behulp van het aanwezige personeel. Als Nederland echt een kennisland wil zijn, moeten de bibliotheken – met deze nieuwe functie als kenniscentrum – absoluut niet worden opgeheven.'
Alexander Rinnooy Kan: 'De bibliotheek moet zich natuurlijk aanpassen aan onze digitale tijd. Dat is alleen maar verstandig. Ik begrijp dat dat ook gebeurt. Als kinderen en jongeren – om hen gaat het vooral – via digitale media de toegang tot literatuur en de collectie weten te vinden, is dat goed. Er is geen principieel verschil tussen fysiek of digitaal. Digitaal heeft ook voordelen, al was het maar dat je niet met alle boeken hoeft te sjouwen. Als de toegang tot de collectie maar wordt gegarandeerd.'
Willie Wartaal: 'De bibliotheek moet meebewegen met de tijd. Natuurlijk. Ik weet niet met welk concept, daar heb ik geen kijk op. Maar meebewegen doe je in ieder geval met bezuinigen. Minder geld is nooit goed.'

Bent u zelf lid van de bibliotheek?
Ad van Liempt: 'Jazeker. In Nieuwegein, waar ik woon – al moet ik toegeven dat ik weinig kom. Meestal kom ik voor lezingen in bibliotheken. Nieuwegein kent geen hogeschool of universiteit, maar de bibliotheek – sinds kort in een nieuw, schitterend pand – kan hier toch een onderdeel zijn van een cultureel centrum, waar van alles wordt georganiseerd. Daar liggen in samenwerking met andere instellingen allerlei kansen. Daarom is het ook zo jammer dat de kunstuitleen hier is verdwenen.'
Jean Beddington: 'Niet meer. Nadat ik naar Nederland ben verhuisd, ben ik hier nooit lid geworden. Ik heb weinig tijd om te lezen, maar ik zit wel in een eigen netwerk van vrienden die elkaar boeken uitlenen. Engelstalige boeken, die ik dan in mijn eigen rustige tempo kan lezen.'
Alexander Rinnooy Kan: 'Ik ben lid van de universiteitsbibliotheek. Dat is mijn bron van literatuur op dit moment. Soms haal ik daar ook bijzondere romans. Maar als ik fictie of een ander boek echt wil hebben, schaf ik het aan. Dat is het voordeel van mijn ouderdom: ik kan een dringende behoefte om iets te lezen op die manier bevredigen.'
Willie Wartaal: 'Nee. Ik koop mijn boeken en muziek nu. De bibliotheek is voor iedereen ook wel een relaxte plek waar je kan zitten, maar ik kom er niet meer.'
(Eerder gepubliceerd op Bibliotheekblad.nl, 9 maart) 


zondag 9 maart 2014

Interview: Floortje Dessing over reizen en lezen (Bibliotheekblad)

Floortje Dessing (geen familie) is een van de vijftien auteurs die een bijdrage hebben geleverd aan het cadeau van de bibliotheek voor hun leden tijdens de Boekenweek. Ze is sinds anderhalf jaar weer lid van de bibliotheek, maar koopt de boeken die ze nodig heeft als voorbereiding voor haar reizen. Hoewel daar misschien verandering in komt. 'E-boeken lenen is helemaal geschikt voor mij.'

Spanning voor een reis heeft Floortje Dessing nooit. Absoluut niet. 'Toen ik voor het eerst alleen naar Amerika vloog – twintig was ik – was er genoeg om gespannen over te zijn', vertelt de programmamaakster. 'Het alleen zijn. Het feit dat ik drie maanden zeilles ging geven, terwijl ik alleen maar had gefantaseerd dat ik daar ervaring mee had. Maar dat viel allemaal weg tegen het overweldigende geluk dat ik voelde.'
Daarom vond ze het zo bijzonder om in Ondertussen ergens anders, het cadeautje van de bibliotheek voor zijn leden in de Boekenweek, te schrijven over een reis waar ze wél tegenop zag: in december vorig jaar, naar Kabul. 'Toen dacht ik: o my god, waar begin ik aan. Ik zat met een knoop in mijn maag in het vliegtuig. Althans, in het eerste vliegtuig. In het tweede, op weg naar Kabul, kreeg de opwinding de overhand.'
Dessing moest zich voorbereiden op een mogelijke ontvoering. Ze moest een brief schrijven aan haar baas dat ze uit vrije wil naar Afghanistan was vertrokken. Als het onverhoopt mis zou gaan, zou die worden gepubliceerd. Ze moest met haar familie praten over de gevaren. En dat allemaal omdat ze voor Floortje naar het einde van de wereld een uitzending ging maken over een circusschool.
'Er zijn geen landen waar ik niet naartoe durf te gaan. Maar de risico's zijn in sommige landen gewoon groter. Twee weken nadat we terug waren uit Kabul is er een restaurant opgeblazen waar veel Westerlingen kwamen. Dertien doden. Wij zijn daar ook langs gelopen. Daarom bereid ik me goed voor en ga ik er met experts heen. Mijn cameraman was er al 52 keer eerder geweest.'
Ook naar Syrië, Zuid-Soedan of de Centraal Afrikaanse Republiek zou nu afreizen? 'Ja. Ik ben zelfs bezig om te kijken of ik naar Syrië kan voor het Rode Kruis. Ik ben ambassa­deur voor het Rode Kruis en probeer daarom het onderwerp op de agenda te houden. Ik ben er al eerder geweest en vind het van een dubbele moraal getuigen als je alleen komt als het goed gaat. Ik wil ook ervaren hoe het er is als het slecht gaat.'
Alleen: 'Het moet geen Russische roulette worden. Zo van: we zien wel of we het overleven. Ik ben niet suïcidaal. De risico's moeten wel aanvaardbaar blijven.'

Ongeveer tweehonderd dagen per jaar is Floortje Dessing (1970) in het buitenland. Niet dat ze het bijhoudt. 'Ik ben hier in ieder geval meer niet dan wel', zegt ze. Ze zit nu nog in de opnames voor Floortje naar het einde van de wereld. Ze is net terug uit Canada en vertrekt overmorgen naar Zambia. En als deze uiterst drukke periode achter de rug is, rust ze uit in het buitenland. Zuid-Afrika, dit keer.
'Weet je wat het ook is. Hier is het winter, koud, guur. En ik hou van buiten zijn, actief zijn, sporten en dat is ingewikkeld in de winter in Nederland. In Zuid-Afrika kan ik veel makkelijker met de fiets erop uit. Na al die jaren ken ik ook overal mensen. Sommige zoek ik regelmatig op. Ik ben daarom veel mobieler geworden. Ik ga straks ook bij een vriendin in Kaapstad logeren.'
Al bijna twintig jaar maakt Dessing reisprogramma's op tv: Reisgids, Yorin Travel, RTL Travel en sinds 2007 3 op reis. In het huidige seizoen, waarin ze afreist naar afgelegen plekken, is haar programma een ware kijkercijferhit. De eerste aflevering trok 1,7 miljoen kijkers. De aflevering over een zakenman die als een Robinson Crusoë op een Australisch eiland woonde, haalde zelfs meer dan twee miljoen kijkers.
In haar bijdrage voor Ondertussen ergens anders maakt ze duidelijk waarom ze zo graag programma's maakt: laten zien wat er elders gebeurt en zo vooroordelen tegengaan. 'Er woont [in Afghanistan] een volk dat voor het grootste gedeelte dingen wil waar wij ook gelukkig van worden: werk, gezondheid, een familie, dat soort basale zaken', schrijft ze. 'En nu heb ik de kans dat beeld bij te stellen.'
Het is niet dat ze de wereld kan veranderen – die illlusie heeft ze niet. 'Maar ik ben blij als ik mensen meer kan laten zien. Dat maakt mijn vak zo bijzonder. Zo hebben we drie jaar geleden in Noord-Korea gedraaid. Ook alledaagse scènes in een stadspark, wat niet geregisseerd was. Mensen weten weinig van Noord-Korea, maar hebben er toch een beeld van. Het is mooi als ik dat kan nuanceren.'

Behalve tv-programma's maak je ook boeken: 365 dagen onderweg, 100 wereldplekken die je  gezien moet hebben en 25 wereldroutes die je gedaan moet hebben. Wat doe je liever?
'Allebei. TV en boeken hebben ieder een eigen publiek. Het vult elkaar aan. Ik kan niet alles wat ik zie, bedenk of meemaak kwijt op tv. Dan is een boekje een mooi middel om die verhalen te delen. En ze verkopen als een dolle.'

Zitten er nog boeken in de pijplijn?
'Zeker. Prometheus die de distributie en verkoop doet – ik geef ze zelf uit via mijn uitgeverij [Keff & Dessing, md] – dringt ook steeds aan: maak er weer eentje. Maar wanneer? Ik werk al zeven dagen in de week, ik moet ook af en toe niet werken. In die zin is tv-maken mijn core-business, waar ik mijn geld mee verdien. Ik zou het kunnen omgooien, maar daarvoor vind ik het te leuk. Ik kijk nu alweer uit naar de reis die ik in juli voor 3 op reis ga maken: langs de Ring of fire, een ring van vulkanen van Kamtsjatka naar Indonesië.'

Kun je niet schrijven in het vliegtuig?
'Dan ben ik bezig met voorbereiden. En na afloop ben ik ook bezig met het programma. Ik lees dan wel veel over het land van bestemming.'

Leen je die van de bibliotheek? Reisgidsen en reisboeken heb je maar tijdelijk nodig, dus bij uitstek geschikt om te lenen.
'Nee. We kopen ze. We hebben op de redactie zo'n 150 Lonely Planets staan. Daarnaast download ik die op de iPad. Andere boeken zijn vaak zo gespecialiseerd, die kun je niet lenen. Ik ga daarvoor naar gespecialiseerde reisboekhandels in Amsterdam: Pied à Terre over de Overtoom en A La Carte op de Utrechtsestraat.'

Lees je van papier of digitaal?
'Ik sleepte altijd fysieke boeken mee. Ik hou daar zo van. Die sensatie van een boek vasthouden. Maar sinds een jaar of een half jaar ben ik helemaal om. Gewoon omdat het zo veel makkelijker is. We reizen altijd met ontzettend veel spullen. We hebben altijd gezeik met de overvolle handbagage. Dan is alle boeken, films en series op één iPad zo veel praktischer. En als me niet bevalt wat ik lees, kan ik meteen iets nieuws kopen. Ik koop ze bij Amazon, Kobo en Bol.'

Waarom leen je ze niet van de bibliotheek?
'Kan dat?' En na enige uitleg over het e-boekaanbod van debibliotheek: 'Fantastisch. Toen ik in 2012 een half jaar thuis zat wegens ziekte, ben ik lid geworden van de OBA – nadat ik als kind al heel veel gebruik maakte van de bibliotheek in Heemstrede. De OBA is een héérlijke plek om te verblijven, maar dat halen en brengen van boeken is niets voor mij. Ik vergeet boeken steeds terug te brengen. Dan is e-boeken lenen helemaal geschikt voor mij. Echt, ideaal.'

Heb je wel eens een programma gemaakt op basis van een boek?
'Nee. Lezen is wel inspirerend. Als ik Bill Bryson lees, krijg ik zin om in zijn voetsporen te treden. Of Isabelle Allende. Zij schrijft fictie, maar ze roept wel het verlangen op in Zuid-Amerika te zijn. De eerste aflevering van Floortje naar het einde van de wereld ging wel over een Nieuw-Zeelander die een boek had geschreven over zijn leven in absolute afzondering. Maar ik kwam al googelend op dat idee. Pas daarna heb ik het e-boek besteld en gelezen.'

Bezoek je boekhandels in het buitenland?
'Soms. In Thailand bijvoorbeeld heb ik er niet zo veel aan. Ik lees geen Thais. In Japan kom ik er wel omdat de boeken zo mooi zijn. Zij beheersen de kunst van het boek uitgeven tot in de perfectie. De typografie of lay-out kan zo fantastisch zijn. Maar in Amerika ga ik altijd naar Barnes & Nobles of andere grote winkels.'

En bibliotheken?
'Daar heb je als buitenlander nog minder te zoeken. Voor de wifi? Tja, dat heb je tegenwoordig ook overal. Alleen als de gebouwen bijzonder zijn, kom ik in bibliotheken. Zo hebben we gedraaid in de Bibliotheek van Alexandrië of de bibliotheek van Seattle, van Rem Koolhaas. Prachtige gebouwen.'

En de Airport Library op Schiphol?
'O ja. Die is ontzettend leuk. Uniek in de wereld. Hij is niet zo groot, maar de laatste keer zag ik er toch een man of acht, negen zitten. Terwijl die mensen net zo goed hadden kunnen winkelen. Wat dat betreft kom je overal wel boeken tegen. Laatst nog in Canada: een boom waarin een gat was uitgehakt waar boeken lagen die je gewoon kon lenen. Ik vind het fantastisch dat zulke dingen bestaan.'

De leden van de deelnemende openbare bibliotheken kunnen Ondertussen ergens anders tijdens de Boekenweek, van 8 tot en met 16 maart, gratis krijgen. Behalve Floortje Dessing schreven onder meer minister Frans Timmermans, schrijver Adriaan van Dis, entrepeneur Olcay Gulsen, programmamakers Erica Terpstra en Joris Linssen, violist André Rieu en kunstenaar Joost Conijn over hun ervaringen met reizen – het thema van de Boekenweek 2014. Bibliotheken uit heel Nederland geven lees- en kijktips bij de aangestipte thema's. Zo zocht de ZINiN Bibliotheek Nijverdal twee boeken over Afghanistan uit bij Dessings verhaal.

Zie ook:
- Arnon Grunberg over reizen - en meer

zaterdag 8 maart 2014

Bukowski's schijt aan alles blijft het origineelst (Knack)

Een mens moet ergens werken om zijn drank te kunnen betalen. En de huur en heel af en toe nieuwe kleren. Dus waarom niet bij de posterijen? Henri Chinaski geeft op de allereerste pagina van Postkantoor al toe dat het een vergissing was. Hij valt in met Kerst, en verdomd: een vrouw met een grote kont en grote tieten nodigt hem uit na zijn ronde terug te komen. Zo'n wip wil hij elke dag wel. Chinaski wordt vaste invaller. Maar zo leuk als die eerste dagen wordt het nooit meer.

De alcoholistische misantroop Charles Bukowski, die zondag 9 maart precies twintig jaar geleden overleed, werkte jarenlang zelf bij de post voor hij een roman over zijn ervaringen schreef die hem in een klap dé underground-schrijver van Amerika maakte. Hij was net als zijn alter ego een paar jaar postbesteller in Los Angeles en, na een onderbreking van enkele jaren, meer dan een decennium werkzaam op de sorteerafdeling. In de eerste functie begon hij in 1952 met een jaarsalaris van 1615 dollar, dat meer dan verdubbelde toen hij eindelijk een vaste aanstelling kreeg.

Van jongsaf aan wilde Bukowski al schrijver worden. Bij gebrek aan succes als tiener borg hij zijn droom lang weg. Als dertiger ging hij dichten. Zijn werk verscheen uitsluitend in kleine oplagen bij onbekende uitgevers. De vaste column in een onbeduidend tijdschrift 'Notities van een vieze oude man', begonnen in 1967, leverde ook al weinig op. Pas toen de uitgever John Martin van de Black Sparrow Press hem drie jaar later 100 dollar per maand beloofde als hij fulltime gaat schrijven, kon hij eindelijk zijn gehate baan opgeven.

Prompt schreef Bukowski, in een roes van drie weken met weinig slaap en veel alcohol, een meesterwerk dat bijna 45 jaar na voltooiing nog altijd in druk is. Een werk ook dat vele epigonen binnen en buiten Amerika aan het schrijven heeft gekregen. Hoeveel romans zijn er sindsdien niet verschenen met een nihilistische hoofdpersoon die alles en iedereen vervloekt en alleen is geïnteresseerd in seks en verdovende middelen? Honderden, duizenden.

De Nederlandse vertaling van Susan Janssen uit 1977 kende minstens acht drukken. Maar na de uitgave van de herziene vertaling in 2005 werd het stil rond Bukowski. Tot deze maand, waarin uitgeverij Lebowski alle romans van de cultschrijver herlanceert. De 'held van de tegencultuur' was uitgever Oscar van Gelderen zo dierbaar dat hij iets met hem moest doen. 'Het is een vormende auteur, die je jong leest en je hele leven met je meedraagt en daar moet je iets mee doen’, zei hij vorig jaar in Boekblad.

Dat lijkt aan te slaan. Naast het eigen feestje van Lebowski in Amsterdam, waar zaterdag schrijvers als Auke Hulst en Alex Boogers het rauwe proza van Bukowski eer bewijzen, opent ook een fototentoonstelling in het American Book Center met werk van Joan Gannij. Iedereen kan in deze Amsterdamse boekhandel ook een selfie maken met een blow-up van Bukowski. Daarnaast is de persaandacht enorm – ook in Vlaanderen, waar onder meer Herman Brusselmans, vrijdag jl. in De Standaard, over Bukowski schreef.

Herlezing van Postkantoor blijkt hoe terecht die aandacht is. Niet zozeer door het plot of de hoofdpersoon – de roman is een tamelijk structuurloos portret van een drop-out, die schijt heeft aan alles, om het in de taal van Bukowski te zeggen. Ook op zijn werk wijst Chinaski radicaal iedere betrokkenheid af. Hij wil zich niet inspannen om de makkelijke klusjes te kunnen doen, hij trekt zich niets aan van het gezeik van zijn baas. Hij wil alleen maar weer naar huis. Om een fles open te trekken.

Nee, de onverminderde kracht en dus ook de literaire waarde hiervan, is Bukowski's taal. Met een spaarzaam, maar uiterst effectief ingezet idioom, krijgen Chinaski's woorden – tegelijkertijd een laconiek commentaar op de gebeurtenissen en een uitvergroting ervan – zo'n vat op de lezer dat je het gevoel krijgt zelf Chinaski te zijn. Ook bij herlezing van de uitstekende vertaling heeft de rauwe, directe stem vanuit de zijlijn van de burgerlijke samenleving nog niets van zijn frisheid verloren.

'Ze reden me naar huis en hij ging met haar weg. Ik deed de deur open, zei ze gedag, zette de radio aan, vond een halve liter scotch, zoop die toen op, terwijl ik lachte, me goed, eindelijk ontspannen, vrij voelde, m'n vingers brandde aan korte sigarenpeukjes, toen haalde ik nog net het bed, de rand van het bed, struikelde, viel, viel schuin op de  matras neer, sliep, sliep, sliep... De volgende ochtend was het ochtend en ik leefde nog steeds. Misschien schrijf ik wel een roman, dacht ik. En dat deed ik toen.'

Hoeveel navolgers Bukowski ook heeft gekregen, het origineel is nog altijd het beste.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be. Een andere versie stond in BOEK 2014/1)