vrijdag 22 november 2013

Interview: Wannie Carstens over het Afrikaans (Taalschrift)

Het Afrikaans maakt een bloeiperiode door. Dat zegt de prominente Afrikaanse taalkundige Wannie Carstens. Meer sprekers, meer studenten en gunstige wetsvoorstellen – dat zijn zijn bewijzen.

Het wetsvoorstel voor het taalonderwijs in Zuid-Afrika was natuurlijk geen slecht nieuws voor het Afrikaans. Kinderen in het lagere en middelbare onderwijs moeten, zo stelde de regering afgelopen juni voor, niet langer in twee talen, maar in drie talen les krijgen. Vroeger kregen leerlingen les in hun thuistaal en een van de officiële Afrikaanse talen. Straks krijgen ze les in hun thuistaal en twee van de officiële Afrikaanse talen. Meer Zuid-Afrikanen zullen zo Afrikaans leren.
Het echte goede nieuws zat echter in de details. Vroeger telde de uit het Nederlands ontwikkelde taal niet meer als een Afrikaanse taal. In dit wetsvoorstel heeft het Afrikaans wel dé status als Afrikaanse taal – naast het Zoeloe, Xhosa, Swazi, Ndebele, Zuid-Sotho, Noord-Sotho, Tswana, Venda en Tsonga.
“Fantastisch”, noemt Wannie Carstens het onomwonden. De directeur van de Skool vir Tale aan de Potchefstroomkampus van de Noordwes-Universiteit en voorzitter van de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenschap en Kuns hoopt nu alleen dat deze en andere taalwetten snel worden geïmplementeerd. “Het ANC bevindt zich momenteel in verkiezingsmodus. Daarom maken ze geen haast wetten uit te voeren. Maar dat is geen onwil. Het is laksheid.”

Voor Carstens (61) gold het Afrikaans al lang een Afrikaanse taal. Dat was het al zo’n honderd tot honderdvijftig jaar nadat de eerste Nederlanders zich in de zeventiende eeuw in de Kaap vestigden. De wetgeving is daar alleen maar een erg late reactie op – van de grondwetswijziging in 1961 die het Nederlands als officiële taal verving voor het Afrikaans tot de recentste wetsvoorstellen voor het taalonderwijs. “Het Nederlands was de penwortel, waarna de taal hier takken heeft gekregen,” zegt hij.
Nederlanders kunnen het Afrikaans nog altijd eenvoudig begrepen – zeker als je het, al dan niet hardop, voorleest. Carstens, die werkt aan een boek over de geschiedenis van het Afrikaans, schat de overeenkomsten tussen de zustertalen op circa tachtig procent. “De woordenschat en de taalstructuur komen grotendeels overeen. Alleen de uitspraak verschilt. Ik heb het zelf ook gemerkt toen ik dit jaar op sabbatical in Nederland was. Ik kon mij met Afrikaans overal verstaanbaar maken.”
Maar de talen groeien steeds verder uit elkaar. Een belangrijke oorzaak is het verbreken van het contact in het tijdperk van de apartheid. De culturele boycot van de jaren zeventig en tachtig vernietigde de historische banden tussen Zuid-Afrika en Nederland, waardoor jongere generaties weinig weten van de taalverwantschap. In beide landen. Zuid-Afrikaanse kinderen leren op school weinig over Nederland. Nederlandse kinderen zingen op school al jaren geen Afrikaanse liedjes als Sarie Marais.
“Veel Afrikaanstaligen zijn ook bruin,” zegt Carstens. “Zij hebben helemaal geen boodschap aan Nederland. Maar ook blanken hebben steeds meer moeite met het Nederlands, waarvan de klankverschillen steeds groter worden. Ik zie het aan mijn eigen kinderen. Wij kunnen hier de tv-zender BVN ontvangen. Hoewel hier dikwijls Nederlandstaligen over de vloer zijn geweest, kunnen zij dat moeilijk verstaan. Door de geringe blootstelling aan Nederlands zal dat niet beter worden.”
De laatste jaren zijn de contacten tussen beide landen wel aangehaald. Zie het Festival voor het Afrikaans dat eerder dit jaar voor de tweede keer – dit keer in Den Haag. Of de discussie over de vraag of Zuid-Afrika tot de Nederlandse Taalunie moet toetreden. Carstens voelt, als hij voor onderzoek in Nederland en Vlaanderen is, de nieuwsgierigheid er ook toenemen. Maar hij is zich er terdege van bewust “dat het in werkelijkheid maar om een klein groepje gaat”.

De andere redenen dat Afrikaans en Nederlands uit elkaar groeien hebben te maken met ontwikkelingen in Zuid-Afrika. De invloed van het Engels, de voorkeurstaal van de Zuid-Afrikaanse regering, is zo groot dat nieuwe woorden eerder uit die taal komen dan uit het Nederlands. Een mobieltje of gsm heet in het Afrikaans ‘selfoon’. En het werkwoord ‘aanspreken’ wordt niet meer alleen gebruikt in ‘ik spreek je aan op je gedrag’, maar ook in de betekenis van ‘ik adresseer een probleem’ – van ‘to address’.
“In het Afrikaans is men sneller geneigd een eigen woord te maken,” zegt Carstens. “In Nederland gebruiken veel mensen achteloos Engelse woorden. De taalcomité van de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenschap en Kuns beslist daar al sinds 1917 over. Maar dan komt de democratie om de hoek kijken: veel mensen gebruiken meer en meer termen uit het Engels. Die komen dan uiteraard in de standaardwoordenboeken terecht. Zoals dat in alle talen gaat.”
Daarbij is sinds het einde van de apartheid niet langer het Afrikaans van de blanken de standaard. De taalvariaties van de bruine sprekers – inmiddels 55 procent van de sprekers – wordt nu ook erkend. Carstens: “Het Afrikaans kent tal van woorden van Afrikaanse herkomst. Ubuntu bijvoorbeeld: vreedzame samenleving. Of indoena: belangrijk persoon. Maar tot 1991 werden deze leenwoorden maar zeer beperkt gedocumenteerd. Nu nemen ze een heel hoofdstuk in het woordenlijst van de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenschap en Kuns in.’

De nieuwe wetsvoorstellen is niet de enige reden waarom Carstens positief is over het Afrikaans. Het aantal sprekers was bij de laatste volkstelling in 2011 met 800.000 gegroeid, terwijl in vijftien jaar een miljoen Afrikaanstaligen het land hebben verlaten. In totaal spreekt 13,5 % van 51,8 miljoen inwoners Afrikaans als eerste taal. “Niemand kan de groei verklaren. Misschien is de census beter uitgevoerd. Misschien durven meer Zuid-Afrikanen toe te geven dat Afrikaans hun thuistaal is.”
Ook het aantal studenten trekt aan. “In de jaren 2000 was er nog sprake van een daling,” zegt Carstens. “Zo’n 35 tweedejaarsstudenten schreven zich aan de Potchefstroomkampus van de Noordwes-Universiteit in voor Afrikaans. Nu zijn het er bijna zestig. Het is geen spectaculaire stijging in één keer, maar elk jaar groeit het een beetje. Dit studiejaar zijn de aantallen weer gegroeid. Er is ook genoeg werk voor studenten: als tolk, vertaler, redacteur of in het onderwijs.”
Misschien is er ook iets af te dingen op de jubel. Er zijn ook Afrikaanse taalkundigen die vrezen dat de taal wordt verdrongen door het Engels. Maar dat strookt niet met Carstens principiële positieve grondhouding. “Ras als een factor begint te verdwijnen in Zuid-Afrika. Oude mensen hebben nog de perceptie van het Afrikaans als taal van de Apartheid, maar dat verdwijnt ook. Wij – Afrikaanstaligen – zijn van plan hier te blijven. Dan kun je het best positief werken om de taal te versterken.”

Carstens moet dan ook lachen als hij wordt geconfronteerd met in essentie beledigende citaten over het Afrikaans als ‘een wat kinderlijk klinkende taal met koddige woorden’. “Ik zeg dan altijd: dit is de taal die jullie in Nederland en Vlaanderen over honderd jaar spreken. Zie de boeken van Joop van der Horst. Vereenvoudiging is een normaal proces voor talen. Dat is precies wat er met het Nederlands is gebeurd toen het evolueerde in het Afrikaans. Daarom lopen wij voorop."
(Eerder gepubliceerd op Taalschrift.org)

Zie ook:

donderdag 21 november 2013

Jonathan Coe - 'Expo 58' (BOEK)


Koude oorlog, spionage en James Bond

Hoeveel mensen zitten gevangen in hun dagelijks leven? Thomas Foley is er in ieder geval één. Een verkeerd huwelijk. Een saaie baan. En een rijtjeshuis in een Londense buitenwijk. Van zijn schepper Jonathan Coe krijgt de eind-twintiger de kans om hieraan te ontsnappen, als hij wordt uitgezonden om de Britse pub op het terrein van de Expo 58 in Brussel in de gaten te houden. In die snelkookpan, waarin jonge mensen uit tientallen landen plus aantrekkelijke Belgische hostesses maandenlang verblijven, is de sleur heel ver uit zijn gedachten. Durft Thomas zijn kans te pakken?
Wie het antwoord op deze vraag wil weten: lees Expo 58. Maar de onderliggende thematiek is niet de voornaamste aantrekkingskracht van deze roman. Het nieuwe, luchtige boek van de inventieve Britse plotbouwer Jonathan Coe is vooral zo fijn om te lezen omdat hij de sfeer van die tijd zo goed weet te pakken. Het is het tijdperk, bijna vijftien jaar na oorlog, van een hernieuwd geloof in de maakbaarheid van een betere wereld, dankzij de duizelingwekkende mogelijkheden van de atoomkracht, gesymboliseerd door het Atomium dat voor deze wereldtentoonstelling is gebouwd. Maar ook de tijd van de koude oorlog, spionage en James Bond. Al deze elementen heeft Coe verwerkt in zijn verhaal, waarin Thomas een onwetende pion blijkt te zijn in een luchtig, doortimmerd plot van intelligence en counter intelligence.
Coe vergeet daarbij de absurde, in zijn ogen typische Belgische humor niet. Dat blijkt het best uit Wayne en meneer Radford, de twee opdrachtgevers van Thomas: van hun klungelige gedrag tot hun manier van praten doen ze in alles denken aan de legendarische speurders Jansen en Janssen (uit Kuifje).

Jonathan CoeExpo 58 (320 p.), oorspronkelijke titel Expo 58, vertaling: Luud Dorresteijn en Otto Biersma – De Bezige Bij, € 18,95.
(Eerder verschenen in BOEK 6, 2013)

woensdag 20 november 2013

Italië heeft de primeur: Masterpiece, een X factor voor schrijvers (Knack)

Iedereen wist het. Ooit komt er een X Factor voor schrijvers. Het Italiaanse Rai3 heeft het nu geproduceerd. Zondag was de eerste uitzending van Masterpiece.

In iedere uitzending van een kleine anderhalf uur mogen tien amateurschrijvers hun werk presenteren voor de jury. De vier besten moeten in de volgende ronde in een half uur een opdracht vervullen: bijvoorbeeld een dagboekpagina schrijven van een man die blind wordt. Hun teksten verschijnen live in beeld en moeten na afloop worden voorgelezen aan de jury. De twee kandidaten die dan overblijven, moeten in de volgende ronde in 59 seconden hun roman pitchen bij een celebrity. Die stuurt één winnaar door naar de finale.
Aan kandidaten heeft Rai 3, dat het programma heeft ontwikkeld met het internationaal opererende productiemaatschappij FremantleMedia, geen gebrek. Binnen een maand hadden 5000 amateurschrijvers gehoor gegeven aan de oproep om een ongepubliceerd manuscript op te sturen. De juryleden hebben zonder meer literaire geloofwaardigheid: misdaadauteur Giancarlo de Cataldo, schrijver Andrea De Carlo en de Britse debutante Taiye Selasi, die in Rome woont en vloeiend Italiaans spreekt. Alle drie zijn vertaald in het Nederlands.
Na zes afleveringen volgt, in februari 2014, de finale. De winnaars van iedere aflevering worden aangevuld met zes afvallers – drie gekozen door de jury, drie gekozen door het publiek. De kandidaten strijden dan om een boekcontract bij de prominente uitgeverij Bompiani, die werk publiceert van onder andere Sandro Veronesi, Paolo Coelho, Umberto Eco en Jonas Jonasson. De winnende roman wordt in mei gepubliceerd in een ook voor Italiaanse begrippen verbijsterende oplage van 100.000 exemplaren.
Waarom de kandidaten meedoen blijkt duidelijk uit een artikel in The New York Times over Masterpiece: aandacht. Na te zijn afgewezen door reguliere uitgevers hopen ze alsnog gepubliceerd te worden. En belangrijker: lezers te vinden. Selasi snapt dat heel goed: 'Of je verlegen bent of niet, je moet jezelf – als je een publicerend auteur wilt worden – op een of andere manier bloot geven [om aandacht te krijgen]', zei ze tegen de Amerikaanse krant. Wel erkent ze dat de wedstrijd niet noodzakelijkerwijs een topauteur lanceert, maar slechts de beste schrijver van de deelnemers. 
De komende weken moet blijken of Masterpiece even succesvolle prime time-televisie is als X Factor, Idool of The Voice van Vlaanderen. De producers kopiëren in ieder geval alle methodes om spanning en entertainment op te wekken: close-ups van zwetende schrijvers, doorsneden met gefilmde bekentenissen, opzwepende muziekjes, juryleden die manuscripten in stukken scheuren, bezoekjes aan de kandidaten thuis met de coach Massimo Coppola, enzovoorts. Bij voldoende succes zal FremantleMedia het concept aan andere landen proberen te verkopen.
Vanzelfsprekend is niet iedereen blij met Masterpiece. Het programma 'zal veel mensen een idee van literatuur geven', klaagde Alessandro Baricco. 'Maar het is niet het idee dat wordt gedeeld door veel mensen die daadwerkelijk literatuur maken.' Toch werkt het openlijke populisme waarmee nieuwe teksten van amateurs aan de man wordt gebracht, misschien beter dan de platte manier waarop een programma als het tot de grond toe afgebroken Man zoekt boek serieuze literatuur slijt. Het is zeker eerlijker in zijn bedoeling: entertainen.
In ieder geval is het beter om het programma eerst te zien en dan pas te oordelen. Dat kan hier.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 19 nov)

maandag 18 november 2013

Terug naar 2010: Interview Gerwin van der Werf over zijn debuut 'Gewapende man' (BOEK)


Op landelijke gedichtendag 2010 werd Gerwin van der Werf in één klap een bekende Nederlander toen hij de 1e Turing Nationale Gedichtenwedstrijd won en bij De Wereld Draait Door aanschoof. Nu is zijn romandebuut Gewapende man verschenen. Ook in dit geval kwam hij via een schrijfwedstrijd in contact met zijn uitgeverij.

Hoeveel debutanten hebben al 10.000 euro verdiend met schrijven?

Hoe zou je Gewapende man pitchen?
‘Mijn roman gaat over wraak en een zoektocht naar eigenwaarde. Maar dat zegt niet zo veel. Dat is te universeel. Veel beter kan ik de inhoud samenvatten. Een jonge vent gaat naar Zeeuws-Vlaanderen. Hij wil in alle rust aan zijn proefschrift werken, maar hij heeft ook een geheime agenda: genoegdoening krijgen voor wat hem in zijn jeugd is aangedaan door een klasgenoot.’

Debuten zijn vaak autobiografisch. Ook het jouwe?
‘Het personage heeft autobiografische authenticiteit. Hij denkt zoals ik denk.
Maar de gebeurtenissen zijn verzonnen. De ervaring van mijn hoofdpersoon op de middelbare school heb ik gezien als docent. Een keer werd achter de schrijver van anonieme briefjes gejaagd terwijl die uit wanhoop handelde omdat hij zo gepest werd. Krankzinnig zoals dat ging.’

Is Gewapende man ook de eerste roman die je schreef?
‘Mijn tweede. Na de eerste heb ik vooral verhalen geschreven omdat ik daarmee aan schrijfwedstrijden kon meedoen. Ik wilde weten waar ik stond ten opzichte van andere amateurs. Daar zijn wedstrijden ideaal voor. En als je wint, bouw je een mooie CV op. Alle aankomende schrijvers kan ik aanraden aan wedstrijden mee te doen.’

Was de winst van de Turingprijs je eerste succes?
‘Integendeel. Meteen de eerste keer dat ik wat inzond, won ik de hoofdprijs. Daarna heb ik meerdere prijzen behaald. Die gedichtenwedstrijd staat eigenlijk los van wat ik beoogde: debuteren met fictie. Ik schrijf nooit gedichten, ik had al een contract bij Contact, ik wilde niet meer aan wedstrijden meedoen. Maar de eerste prijs was 10.000 euro. Stel je voor, droomde ik, dat ik win. En dan moet je natuurlijk wel een gedicht inzenden. Toen won ik ook nog.’

Hoe kwam je in contact met je uitgever?
‘Op een schrijfdag van Trouw. Mijn redacteur hield spreekuur voor amateurschrijvers. Toen ik aan de beurt was, moest ik naar het podium omdat ik een wedstrijd had gewonnen en mijn inzending moest voorlezen. Ik vroeg of ik hem anders wat mocht opsturen. Dat kon. Die verhalen vond hij niet geramd genoeg in elkaar zitten voor een debuut. Maar hij was enthousiast over mijn idee voor Gewapende man. In vijf maanden had ik toen een eerste versie geschreven.’

Die wilde hij uitgeven. Was dat het mooiste moment?
‘Drie dagen nadat ik het manuscript had opgestuurd, belde mijn redacteur om een contract aan te bieden. Toen ik op zijn kantoor kwam, werd ik aan iedereen voorgesteld als hun debutant. Een landmark, vond ik. Daarna ging ik het vieren in het Americain. Daar zat Tommy Wieringa. Ik moest me inhouden om hem te gaan vertellen: ik ben ook een schrijver.’

Wat verwacht je van je debuut?
‘Mij is natuurlijk voorgehouden dat duizend verkochte exemplaren al veel is. Maar nu ik de Turingprijs heb gewonnen, is het voor de uitgeverij makkelijker om mijn boek te lanceren. Mij kan het niet veel schelen. Dat dat boek er is gekomen, was mijn doel. En ik heb al 10.000 euro verdiend met schrijven. Hoeveel debutanten kunnen mij dat nazeggen?’

Gerwin van der Werf, Gewapende man, (290 p.), Contact, 19,95 euro.

DE AUTEUR
Gerwin van der Werf (1969) heeft altijd de drang gehad kunst te maken. Van jongsaf aan was dat muziek. Hij studeerde muziekwetenschappen, componeerde en speelt nog altijd in de coverband New Beetles. De docent muziek op een middelbare school in Oegstgeest schreef een lesmethode voor muziekonderwijs. Op zijn 37e besloot hij zich aan fictie te wagen. Met succes.
(Eerder gepubliceerd in BOEK 3, 2010)

Zie ook:






zondag 17 november 2013

Gerwin van der Werf - 'Luchtvissers' (BOEK)


De luchtvissers op het (fictieve) Deens eilandje Lundines leven van de papegaaiduikers die ze, op een hoge klif, met een schepnet vangen. Maar de personages in de naar dit (eveneens fictive) beroep vernoemde roman van Gerwin van der Werf zijn het ook in overdrachtelijke zin: in uiterst gevaarlijke omstandigheden proberen ze met het schepnet dat hun verstand is, de zin en het nut van hun leven te vangen, zonder welke leven onmogelijk is.
Van der Werf volgt drie personages, die allemaal, zonder het van elkaar te weten, op Lundines achterblijven als het eiland wordt geëvacueerd. Een naamloze ik-verteller die de dood van een kind op zijn geweten heeft. De dominee die zijn geloof heeft verloren. En een oude man die voor zijn krankzinnig geworden vrouw moet zorgen. Het liefst willen ze sterven, maar omdat ze tegen hun verwachtingen in niet alleen op het eiland zijn, voelen ze zich – aanvankelijk – gedwongen te blijven leven.
En dan zijn er nog Jens en zijn dochter Jo-Anne. De visser Jens heeft een andere reden om achter te blijven, die hier beter verzwegen kunnen worden. Maar die reden geeft de ik-verteller, zodra hij het eindelijk snapt, wel een kans om in het reine te komen met de fouten die hij heeft gemaakt.
Het eindresultaat is een evenwichtige, spannende, sterk geschreven roman, die de existentiële vraag naar het waarom van je leven op scherp stelt. Een vraag, zo maakt de auteur ook duidelijk, die je onmogelijk kunt ontvluchten. Luchtvissers is daarmee Van der Werfs beste werk tot nu toe.

Gerwin van der WerfLuchtvissers (256 p.) – Atlas Contact, € 19,95.
(Eerder verschenen in BOEK 6, 2013)

Zie ook: Gerwin van der Werf over zijn debuut 'Gewapende man'

zaterdag 16 november 2013

Interview: Midas Dekkers over Nederland Leest-actieboek 'Erik of Het klein insectenboek' van Godfried Bomans (Bibliotheekblad)


‘In dit werk gaan de humor en wijsheid van Bomans gelijk op’

Erik of Het klein insectenboek van Godfried Bomans zette Midas Dekkers (1946) niet op het spoor van de biologie. Integendeel. Het actieboek van Nederland Leest viel hem bij eerste kennismaking eind jaren vijftig vies tegen. ‘Ik weet niet hoe oud ik was. Zullen we er elf van maken? In ieder geval op de leeftijd dat ik me te groot voelde voor een sprookje. Ik weet niet of ik het wel uit heb gelezen.’
De kleine Erik Pinksterblom ligt in het eerste hoofdstuk in bed, denkt in zijn sluimer dat de schilderijen tot leven komen en verdwijnt dan in het zonnige landschap aan de muur, waar hij extreem verkleind tussen de insecten beland. ‘Voor een kind die denkt dat hij al een grote jongen is een enorme tegenvaller. Ik probeerde juist omhoog te lezen. Ik pakte altijd boeken voor kinderen die ouder waren dan ikzelf.’
Dekkers bevond zich in het begin van de puberteit – de leeftijd waarop een kind begint te veranderen in een volwassene. ‘Een tijd waarin je het beste in een groot gat kunt gaan zitten en hopen dat het overgaat.’ Maar ook: een periode in een mensenleven die volgens Dekkers hetzelfde biologisch verschijnsel is als het verpoppen van een rups in een vlinder, zoals hij beschreef in De larf (2002).
‘Ergens had ik blijkbaar opgevangen dat Bomans in Erik over de metamorfose schreef. Toen heb ik het boek voor De larf herlezen. Ik viel steil achterover van de scène waarin de hotelkamer zich zorgen maakt over de vraag wie de rekening gaat betalen. De rups, die de kamer boekte maar die niet meer bestaat. Of de vlinder, die er niet was toen de kamer werd geboekt. Daar had ik niets maar aan toe te voegen.’
Bomans wist niets van biologie. Maar juist daarom had hij – ‘een man met een meer dan middelmatig verstand’, zegt Dekkers – een verfrissende blik op de metamorfose. ‘En zo bondig en zo geestig neergezet. Dat was veel beter dan iemand die precies weet hoe het zit, ooit had kunnen opschrijven. Gelukkig kwam ik later bij mijn positieven en heb ik met De larf toch nog een boek van 250 pagina’s kunnen schrijven.’
Sindsdien heeft Dekkers Erik of Het klein insectenboek een paar keer gelezen – ook weer voor Nederland Leest. ‘Iedere keer moet ik er om lachen. Ieder keer ontdek ik een nieuw laagje. Erik is een van die zeldzame kinderboeken die zowel kinderen als volwassenen waarderen. En al staat het bekend als kinderboek, je kunt het beter als volwassene lezen dan als kind.’

Dekkers kent het werk van Bomans (1913-1971) goed. In de jaren vijftig en zestig was de schrijver alomtegenwoordig – op radio en televisie, in de krant. ‘Iedereen las dat. Hij hoorde bij het nationale volksgevoel.’ Als Haarlemmer was zijn plaatsgenoot helemaal heilig. ‘Wil je in Haarlem meetellen, dan moet je hem gekend hebben. Of minstens naast de werkster van zijn ouders hebben gewoond.’
Het doet hem daarom ‘een groot genoegen’ dat hij nu de kans krijgt het werk van Bomans onder de aandacht te brengen. ‘Het is een groot raadsel waarom hij – en ook Simon Carmiggelt – ogenblikkelijk na hun overlijden in een diepe vergeetput zijn gelazerd. Misschien wel omdat ze werden weggezet als humoristen. Ooit was dat het denigrerendste wat een schrijver kon overkomen.’
Bomans wordt volgens Dekkers vaak herinnerd om zijn oubolligheid. ‘Dat weerhoudt mensen ervan om zijn frisse werk te lezen. Daar behoort Erik zeker toe. In dit werk gaan de humor en wijsheid van Bomans gelijk op, waar zijn later werk wordt overwoekerd door het soort humor waarmee hij op de radio en tv succes had. Zie ook de voorwoorden die hij voor Erik maakte – elke keer lolliger, elke keer vreselijker.’
Erik is juist een van de laagdrempelige boeken waarvoor je als niet-lezer wordt beloond, zegt Dekkers. ‘Het is makkelijk te lezen. Logisch, Bomans was een voortreffelijk schrijver. Je wordt er al snel ingezogen. Het is leuk. Je wordt er wijzer van. En dan denk je al snel: kom, ik lees nog eens een boek. Het is daarom bij uitstek een boek waarvoor Nederland Leest is bedoeld.’

In deze tijd bevindt de populaire biologie zich op een hoogtepunt, merkt Dekkers op. Ook daarom is Erik of Het klein insectenboek een goede keuze als actieboek. ‘Naar al die series van David Attenborough en consorten kijken een ongekend groot aantal mensen. Ze zijn populairder dan een quiz of voetbalwedstrijd. Ik meen zelfs dat de belangstelling voor insecten, die in Bomans tijd groot was, weer aantrekt.’
Het mooie van Bomans is daarbij vergeleken zijn gebrek aan moraal. ‘Als de zoveelste krokodil de zoveelste gnoe in het water trekt, wordt er in natuurseries altijd gezegd: de natuur is mooi, maar wreed. Of andersom. En anders vervult de aanzwellende muziek wel die rol. Bij Bomans is de natuur gewoon de natuur. Een paardenvlieg wordt klaargemaakt en opgediend. Daar maakt hij verder geen woorden aan vuil.’
Erik is daarom een van de beste boeken over dieren, vindt Dekkers. ‘Al wil ik mijn liefde voor Anton Koolhaas niet verloochenen, die als een van de weinige schrijvers dieren als volwaardige personages laat optreden. Bij hem zijn dieren geen verbeeldingen van menselijke beslommeringen, maar beesten op zich. Helaas is hij in dezelfde of naburige vergeetput beland als Bomans.’
Vergeleken bij Koolhaas dierenverhalen schreef Bomans eerder een fabel. ‘Maar wel een goede. Het kenmerk van een slechte fabel is dat je erbij in slaapt valt. Het kenmerk van een goede fabel is dat je er juist door wakker wordt geschud. Het verschil wordt veroorzaakt door de moraal. Bij een slechte fabel ligt die er duimendik bovenop. Bij een goede fabel mag je zelf naar de moraal zoeken.’

In Bomans’ voorwoorden voor herdrukken van Erik, die ook in het actieboek zijn opgenomen, weerlegt hij de kritiek die hij zou hebben gekregen van biologen. Ze zouden hem voor hebben gehouden dat een duizendpoot geen duizend, maar zestien poten heeft. Dekkers denkt niet dat dat echt is gebeurd. ‘Ik ben bang dat biologen, zeker entomologen, helemaal geen literatuur lazen.’
Toch staat er een fout in het boek: de doodgraver kreeg van Bomans acht poten – twee te veel. ‘Maar ik verdenk hem ervan dat hij biologen expres over die pootjes liet struikelen. Hij maakt henwel meer belachelijk. In hun taalgebruik. Of in de in zijn ogen overdreven aandacht voor details. Anders was het misschien om aan te geven dat het hem zelf niks kon schelen.’
De bioloog Dekkers zul je niet over het boek horen klagen. ‘Bomans neemt juist verhelderende standpunten in, zelfs voor een bioloog. Zo had men in zijn tijd al bij de evolutieleer de bijgedachte dat die synoniem is met vooruitgang. Dat je van een eencellige een worm wordt, dan met pootjes een kikker, vervolgens een aap, om eindelijk uit te komen bij het allerhoogste en –mooiste: de mens.’
Maar wat doet Bomans? ‘Hij voert een worm op die aan Erik vraagt hoeveel poten hij heeft. Twee benen en twee armen, zegt Erik. Veel te veel! Want vanuit het perspectief van de worm is het hebben van aanhangsels primitief. U bent waarschijnlijk een worm op weg, zegt hij dan. Het is maar één regeltje, maar het is een omkering van het geldende wereldbeeld van jewelste. Verschrikkelijk leuk.’
(Eerder verschenen in Bibliotheekblad november 2013)

Meer Nederland Leest: