zondag 15 juli 2012

Des romans français: René de Obaldia, 'De Graf Zeppelin of De lijdensweg van Émile'



Overal zijn ze te vinden: eenzame, saaie mannen, halverwege hun leven, zonder noemenswaardige eigenschappen, zonder ambitie of iets wat daarop lijkt en die bovendien ook nog eens worstelen met hun armzalige bestaan. Maar hoe onopvallend ze ook zijn, dat deze op het eerste gezicht nietszeggende kantoorklerken of bankbediendes de hoofdrol kunnen spelen in prachtige romans blijkt uit De solitair van Eugène Ionesco en De zondagen van Jean Dézert van Jean de la Ville de Mirmont. Sinds kort kan hier De Graf Zeppelin of De lijdensweg van Émile van René de Obaldia aan worden toegevoegd. Deze in 1956 verschenen roman is onlangs knap vertaald door Mirjam de Veth (die ook De zondagen van Jean Dézert vertaalde). 
Émile is extreem bijziend, hij werkt op een verzekeringskantoor waar hij niet geliefd is bij zijn collega’s en leeft in een tweekamerappartement met zijn vrouw Angélique. We leren hem kennen op het moment dat zij zwanger blijkt te zijn. Hoewel, hij is daar nog niet zo zeker van. Wel ziet hij dat haar buik steeds groter wordt. Zo groot zelfs dat hij er angstvisioenen van krijgt en hij de buik buiten proportioneel maakt. Als het zo doorgaat, zal hij verpletterd worden door de buik.
Wanneer het kind er eenmaal is, het wordt hem aan de telefoon verteld op kantoor, moet zijn baas erop aandringen dat hij naar de kliniek gaat om zijn vrouw en kind te bezoeken. Daar aangekomen weet zij zich geen houding te geven. In de wieg ligt een monsterlijke baby die hem met één oog aanstaart: een cycloop! Het is Baptiste genoemd door zijn moeder. Weer op straat voelt Émile zich ellendig, het zweet gutst over zijn lichaam. Hij gaat naar huis en sleept zich met zijn laatste krachten de vijf trappen op naar hun appartement.

Die vijf etages, hij dacht dat hij die nooit op zou komen. Hij zou ter plekke als een blok neerstorten op een traptree; de medebewoners zouden om hem heen drommen; eensgezind zouden ze hem naar een museum vervoeren, ze zouden hem in een vitrine zetten met een bordje: “Dodelijk getroffen vader”.

Dagen blijft hij in bed, uitgeput, malend over wat hem is overkomen. Angélique vertrekt met de baby naar een tante op het platteland.
Baptiste is al wat de klok slaat. Op zijn werk vragen zijn collega’s aan de lopende band hoe het kind het maakt, zelfs op straat lijkt het of iedereen weet dat hij een zoon heeft . Angélique geeft al haar aandacht aan de kleine, voor Émile is er geen plaats meer. Baptiste als kleine Oedipus: nog voor hij zelf kan lopen en ruim voor zijn vader een oude grijsaard is heeft hij hem al verslagen en van zijn plek verstoten.
De Obaldia bouwt de tragische ondergang van Émile goed op. De lezer krijgt te maken met een wankele en in zichzelf gekeerde man, wiens waanzin steeds meer aan de oppervlakte komt. Hij praat in zichzelf, heeft droombeelden waarin de wereld het om hem gemunt heeft en voert een stille maar heftige strijd met zijn nakomeling. De tragiek wordt benadrukt door De Obaldia's humor. Neem het fictieve gesprek dat Émile voert met iemand op straat over zijn vaderschap.

“Een uur, lieve mevrouw, we hebben juist zijn verjaardag gevierd.”
[…]
“Wat gaat u met hem doen?”
“Mijn vrouw en ik gaan hem in het water dompelen en daarna enten we hem in.”
[…]
“En eh… als u hem heeft laten inenten?”
“Nou, dan laten we hem zijn eerste communie doen, zijn eerste oorlog, en dan wachten we tot hij in de tweede als held zal sneuvelen.”

Korte dialogen volgen op diepzinnige overpeinzingen van Émile en beeldende beschrijvingen van wat er om hem heen gebeurt:

Plotseling klonk er naast Émile een gekrijt op: een ongewoon angstaanjagend geschreeuw met de klank die het midden hield tussen een Siamese kat en roestige messen die in het maanlicht geslepen worden.

En dit alles als aanloop naar de laatste daad van Émile. Op een zonnige dag, dat wel, maar vrolijk allerminst.
En de Graf Zeppelin? Émile zag ooit in de bioscoop de landing van een zeppelin die voor het oog van het ontvangstcomité en de fotografen en cameramannen ontplofte. Brandende mensen renden van het ongeluk af, in alle richtingen. Eerst ziet hij de buik van Angélique als die zeppelin en later beeldt hij zich in dat hij aan boord gevraagd wordt terwijl het ding nog in de lucht is, wetend hoe het einde zal zijn. Een dun verhaallijntje ter illustratie van de gevolgen van de geboorte van Baptiste.
Naast de overkomst met de hoofdpersonen van eerder genoemde boeken speelt De Graf Zeppelin ook in Parijs. Maar dat is niet het enige. De drie titels verschenen ooit in de prachtige uitgaven van Coppens & Frenks: een stofomslag met een intrigerende foto, ingenaaid (en dus niet gelijmd met een hard kaftje zoals dat helaas steeds vaker gebeurt) en bovenal met een zeer aangename bladspiegel. De op zichzelf al mooie verhalen profiteren daar ongetwijfeld van, en de wat sullige en grijze-muizen-hoofdpersonen dus ook. Ik zal Émile in ieder geval niet snel vergeten.

zaterdag 14 juli 2012

Boekenmusea: Spinoza dwingt een bedevaart af (Knack)


Aflevering 2. Er zijn geen relikwieën nodig om een historisch figuur tot leven te brengen. De eerste drukken van zijn werk is voor Spinoza voldoende.

Het Spinozahuis in Rijnsburg, waar de filosoof woonde van 1661 tot 1663, bezoek je niet, daar ga je heen op bedevaart. Je pakt het niet even mee als je in Leiden of Den Haag bent, je moet er gericht naar op zoek in het onooglijke Zuid-Hollandse dorp, waar de bescheiden daglonerswoning ligt verstopt tussen lelijke nieuwbouw. Je vindt het pas als je recht voor de ingang staat. Richtingaanwijzers zijn er nergens in Rijnsburg, dat toch niets anders heeft om trots op te zijn. Het gemeentebestuur wil die niet plaatsen omdat er zo weinig bezoekers komen.
Toch weten adepten van Benedictus de Spinoza (1632-1677) uit de hele wereld zijn voormalige woning te vinden. Alleen al sinds de heropening eerder dit jaar, na een meer dan drie jaar durende restauratie, hebben bezoekers uit Stockholm, Amerika, Venetië, Leipzig, Angola, Turkije en talrijke andere verre streken hun naam achtergelaten in het gastenboek. Het is het tweede gastenboek van het Spinozahuis. Het eerste ging precies honderd jaar mee en bevat handtekeningen van onder meer Albert Einstein, Menno ter Braak, Harry Mulisch en Leon de Winter.
Vroeger was het museum piepklein. Na het overlijden van de laatste huisbewaarder die het grootste deel van het pand bewoonde, is het gewoon klein. Hoeveel details origineel zijn is onbekend. Veel zal het niet zijn, in 350 jaar is er veel vertimmerd aan het huis dat Spinoza in het jaar van de oplevering betrok. De donkerrode plavuizen, het houtwerk, de Delfts blauwe tegels die dienen als plint, en het doorkijkje naar de bij de renovatie ontdekte kelder geven niettemin het gevoel dat Spinoza hier lenzen sleep, aan zijn ‘Ethica’ werkte en vrienden ontving.
Hoe museum oogt toepasselijk kaal. De ongehuwd gebleven denker liet niets anders achter dan zijn werk en een notariële inventaris van zijn bezittingen, die werden verkocht om zijn begrafenis te bekostigen. Er stond niets meer op dan wat meubelen, linnengoed, een paar kleine dingen en 159 boeken. Spinoza leidde een uiterst sober bestaan. Ondanks zijn roem in een kleine kring bewonderaars en een fatsoenlijk inkomen had hij weinig nodig. Waarom zou je zijn museum dan optuigen met spullen die alleen maar uit zijn tijd afkomstig zijn?
De aanwezige boeken zijn meer dan voldoende om hem dichtbij te wanen. Een boekenkast bevat een reconstructie van Spinoza’s bibliotheek. Dankzij de opvallend gedetailleerde inventaris zijn in de beginjaren van het museum precies dezelfde edities bijeen gebracht. Het jaar en de plaats van uitgave en de uitgever zijn hetzelfde. In die tijd waren de oplages niet zo hoog. Het is dus mogelijk dat Spinoza hetzelfde exemplaar bezat, maar niet één boek bevat een aantekening van zijn hand die dat zou bewijzen. En toch: kon je ze maar uit de kast halen en in alle stilte bestuderen.
Dat geldt nog meer voor de eerste drukken van zijn eigen werk en snel daarna verschenen vertalingen in het Frans en Engels die elders in vitrines liggen – naast een brief van president van Israël David Ben-Gurion en andere memorabilia als het oude biljet van duizend gulden waarop Spinoza is afgebeeld. Het enige boek dat tijdens onder zijn leven onder zijn naam is verschenen: de ‘Principia philosophiae cartesianae’. De beroemde werken zoals de ‘Tractatus theologico-politicus’, die zogenaamd is gepubliceerd in Hamburg om vervolging te voorkomen. Het doet je hart sneller kloppen.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 13 jul 2012. Eerdere aflevering staat hier.)

vrijdag 13 juli 2012

De Bengel (Dordrecht) gaat verhuizen – en tijdelijk uitbreiden (Boekblad)


Boekhandel De Bengel in Dordrecht gaat in september verhuizen naar een anderhalf keer zo groot pand. Op de huidige locatie blijft eigenaar Gerrit-Jan Kruidenier nog tot eind volgend jaar boeken verkopen.

De Bengel was niet uit op een verhuizing, vertelt Kruidenier. ‘Maar ik liep tegen dit pand aan in de Vriesestraat en toen was het besluit snel genomen. Het is zo’n prachtig pand. Honderdvijftig jaar geleden of zo zat er een fourniturenzaak. De kasten en toonbank van toen zitten er nog in. Dat maakt het een echte boekenpand.’
Ook groeit De Bengel van 60 naar 90 vierkante meter. ‘Dat is voor mij efficiënter. Ik heb nu drie verdieping volgestouwd met boeken. Ooit had ik twee man in dienst die daar de bestelling deden, maar nu ik geen aparte bestelafdeling meer heb, kan dat werk in dit pand beter worden gedaan.’
Echt uitbreiden gaat de winkel niet. ‘Wij zijn befaamd en berucht voor de hoeveelheid boeken op het kleine oppervlak’, zegt Kruidenier. ‘Ik denk dat mijn voorraad zijn weg wel vindt in de nieuwe winkel. Wel wil ik rubrieken als filosofie, geschiedenis en Engels uitbreiden. Als ik eerlijk ben staat die nieuwe winkel binnen de kortste keren weer net zo vol als de huidige.’
De Bengel heeft niet te klagen over de ‘vele onzichtbare paadjes die naar de winkel leiden’, maar toch verwacht Kruidenier in het pand dat hemelsbreed 150 meter verder ligt, op termijn beter gesitueerd te zijn. ‘Er zijn teveel winkels in Nederland. Een groot deel gaat verdwijnen. En dan krijg je een concentratie van winkels die overblijven. Dan zit ik hier iets beter.’
In de Vriesestraat komt De Bengel pal naast boekhandel Dekker. Ook daar is Kruidenier blij mee. ‘Zij zijn een kantoorboekhandel met echt een aanvullend aanbod. De enige overlap is misschien Gijp. Ook hebben zij een postkantoor. Dat is voor mij handig nu de verkoop via de site, met veel eigen import, op stoom begin te komen. Dekker reageerde gelukkig ook heel positief.’
Het huurcontract voor het pand aan de Voorstraat, waar de winkel al meer dan veertig jaar zit, loopt nog door tot 1 januari 2014. Kruidenier benut die tijd om deze winkel te behouden voor de verkoop van met name ramsj. ‘En als dat goed loopt en betrekkelijk weinig moeite kost, dan hou ik het gewoon.’ Toch wil hij niet spreken van een uitbreiding. ‘Ik denk wel dat het uiteindelijk neerkomt op een verhuizing.’
Dat Kruidenier kan investeren wijst er op dat het niet slecht gaat met de boekhandel. ‘Dit jaar is nog beter dan vorig jaar. Ik was ingesteld op tegenwind, maar tot mijn eigen verbazing zit ik netto op een lichte plus. De omzet is wel heel grillig. En vorig jaar was juist de tweede helft goed dankzij titels als de Bosatlas en eigen import.’
Ook heeft Kruidenier in goede jaren voorzichtig gedaan zodat de financiering van de verhuizing zonder tussenkomst van banken kan. ‘Ik heb altijd geïnvesteerd in de voorraad. Dat zijn variabele kosten. Als het minder is, koop je wat minder in. Mensen merken dat niet. Andere boekverkopers hebben geïnvesteerd in vierkante meters. Dat zijn vaste kosten, en dat heeft hen ontzettend kwetsbaar gemaakt.’
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 6 juli 2012)

Zie ook:

donderdag 12 juli 2012

Uitgeverij Cossee opent pop-upwinkel in Amsterdam (Boekblad)


Uitgeverij Cossee opent ter gelegenheid van haar tienjarig jubileum van 19 november tot 2 december een eigen boekhandel in Amsterdam.

De tijdelijke boekhandel op de Berenstraat 24 in de Jordaan is exclusief gevuld met eigen uitgaven en boekgadgets. Iedere dag staat een andere auteur uit het fonds centraal, die zal voorlezen, signeren en de kassa bedienen. De medewerkers van de uitgeverij zullen de boekhandel bemannen.
‘Een van de ideeën van Eva Cossée was altijd de combinatie van boekhandel en uitgeverij, het liefst met horeca’, vertelt Laurens Molegraaf van uitgeverij Cossee. ‘Nu leek het haar een leuk idee om vanwege het jubileum een van de pop-upstores in de Jordaan te huren.’
Volgens Molegraaf is de periode in de tweede helft van november ideaal: ‘Het is heel dicht op de feestdagen en het is dan iets rustiger op de uitgeverij. We moeten het bovenop het gewone werk doen. We moeten kijken hoe we dat inpassen, maar het is een leuke uitdaging.’
Veel staat nog niet vast. Van hoe laat tot hoe laat de winkel open is of wat er op welke dag te beleven is. ‘Het idee is wel om de winkel elke dag anders in te delen. Als Jan van Mersbergen komt, moeten zijn boeken prominent in de winkel liggen. En als Lot Vekemans komt, haar werk.’
Hoofdauteur wordt wellicht J.M. Coetzee. In die periode is net de biografie van de Zuid-Afrikaanse letterkundige J.C. Kannemeyer in Nederlandse vertaling verschenen. Bovendien kan de uitgeverij dan een nieuwe roman aankondigen die in 2013 zal verschijnen.
De winkel van Cossee is niet de eerste pop-upwinkel in het boekenvak. Zo had De Nieuwe Boekhandel in november vorig jaar één dag een filiaal in de Jan Evertsenstraat. Andersom had Bert Van Sande in Herentals drie maanden de speelgoed- en kinderkledingwinkel Chocolate Moose in huis.
Maar een uitgeverij beconcurreert natuurlijk wel zijn voornaamste klant – voor Cossee zelfs in de belangrijkste periode van het jaar. Molegraaf bagatelliseert dat idee: ‘Daarom doen we het maar voor twee weken. Wij zijn goed in uitgeven, de boekhandel in boeken verkopen.’
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 2 jul 2012)

woensdag 11 juli 2012

Leo Vroman (97) begint weblog (Knack)


De Vroman Foundation kondigt op haar gloednieuwe website een biografie, reizende tentoonstelling en een stipendium aan. En een blog van de 97-jarige dichter en wetenschapper Leo Vroman zelf.

‘Ik raakte eind 1942 een nogal dik dagboek kwijt over mijn vlucht naar Indonesië, met tekeningen en stukjes papier met gedroogde planten erin. Ik denk dat het een gewoon zwart-wit gemarmerd (of misschien rood) omslag had, en meer dan 200 misschien wel 500 pagina’s dik was, met natuurlijk handgeschreven tekst maar ook met allemaal verzamelde snippers met aankondigingen erop (bijvoorbeeld van de Womens Auxiliary in London: ‘please admit to 1 free bath’) en wat gedroogde bloemen uit Kaapstad.’
Wie weet waar dit dagboek is? Deze oproep deed Leo Vroman gisterenavond op het weblog dat hij kort geleden begonnen is. Ook al viert de speelse dichter over ruim tweeëneenhalf jaar zijn eerste eeuwfeest, hij gebruikt het voor hem nieuwe medium meteen fanatiek. Gedichten in het Nederlands en Engels en tekeningen van zijn hazewindhond Dylan – hij post zeer regelmatig een nieuw bericht. Sommige gedichten zijn heet van de naald, zoals het op 1 juli 2012 voltooide ‘Retirement home’:

Dit gebouw is als een traag zinkend
schip, en van de overlevenden
hoor ik soms nog even de
stemmen, al verdronken klinkend.

Toch is het weblog maar een bijproduct van de Vroman Foundation. Op de homepage moet je eerst doorklikken naar ‘Leo’s blog’ voor je de nieuwe woorden van de meester zelf kunt lezen. De Vroman Foundation richt zich in de eerste plaats op het beheer en de promotie van het in een lang leven bij elkaar geschreven, getekende en in laboratoria onderzochte oeuvre, dat hem onder meer de P.C. Hooftprijs en de VSB Poëzieprijs opleverde. En de vernoeming van het onder hematologen bekende ‘Vroman-effect’.
De Vroman Foundation heeft grootse plannen. Allereerst moet er een Vroman Stipendium komen voor projecten van kunstenaars die wetenschap verbinden met beeldende kunst, poëzie of dans. Daarnaast moet de expositie ‘Leo Vroman, tekenaar’ die in 2010 te zien was, gaan reizen. En er staan allerlei boeken te verschijnen: een biografie van Vromans redacteur Mirjam van Hengel over het begin van zijn relatie met Tineke, en een door hem geïllustreerd kinderboek van dochter Peggy.
Om deze projecten te financieren richt de Vroman Foundation zich niet alleen op het beheer van Vromans auteursrecht. Fondsenwerving en het aantrekken van legaten en giften zijn minsten zo belangrijk. Plus de verkoop van Vromans beeldende werk in de webwinkel: voor 250 euro is er van honderden tekeningen een digitale print op kwalitatief hoogwaardig papier te krijgen, afgedrukt in hoge resolutie op een formaat van 1:1. De Vroman Foundation belooft de oplage te limiteren op honderd exemplaren.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 10 juli 2012)

dinsdag 10 juli 2012

Over 'De schuldigen' en eerder werk van Thomas van Aalten (Ons Erfdeel)



De bankier als ultieme kunstenaar

Frederik Termaet zoekt extreme seks, parkeert zijn Audi A4 overal zonder te betalen en koopt zijn tangazwembroek bij het filiaal van luxeketens in de badplaatsen van de jetset. Hij neukt dronken en stoned met een soapsterretje op een wild feest op Tenerife. Maar de Specialist Risk Advisory van de Royalis Bank in Brussel uploadt ook video’s op YouTube, waarin hij een escortdame het jaarrapport van de Centrale Europese Bank laat voorlezen en ze daarna seks hebben. En de camerabeelden van een autorace in de parkeergarages van de Zuidas, hart van het Amsterdamse bankwezen, belanden op een expositie over het futurisme in de Tate Gallery.
Is Termaet een leeghoofdige bankier van het type Patrick Bateman uit Bret Easton Ellis’ American Psycho, die uit verveling steeds extremere daden pleegt, of het prototype van een avantgardistisch kunstenaar in de 21e eeuw?
Het dubbelzinnige personage, een bijfiguur uit zijn laatste roman De schuldigen (2011), is typisch Thomas van Aalten. In het oeuvre van de 33-jarige Amsterdamse auteur wemelt het van extreme karakters die heftige dingen doen. Neem Eric uit zijn debuut Sneeuwbeeld (2000), de nachtportier die met geweld gedwongen wordt om een lul van een mogelijke aidslijder af te zuigen en hem vervolgens afbijt. Broer en zus Victor en Nina die in Tupelo (2001) hun existentiële verveling doden met een dieet van afhaalpizza’s, bier en grote hoeveelheden drugs, tot Nina na een overdosis helemaal doordraait. Of de junk in Coyote (2006) die gevulde condooms in zijn anus propt en onbegrijpelijke wijsheden uitkraamt.
Maar betekenisloos is het gedrag van Van Aaltens karakters nooit. Steeds probeert de schrijver met zijn soms bizarre verbeelding de vinger te leggen op essentiële maatschappelijke problemen. Zo is Nick Vegas uit Sluit deuren en ramen (2003) misschien even drankzuchtig en verveeld als andere hoofdpersonen in Van Aaltens oeuvre, de bouwvakker – werkzaam bij de bouw van een gated community – leeft in een land overheerst door angst. In de roman is de oorzaak een Collectieve Auditieve Handicap, in werkelijkheid ging het natuurlijk om de angst voor buitenlanders die Pim Fortuyn in de jaren ervoor zo groot had gemaakt in Nederland.

Veel meer dan wat ik hierboven opsomde komen we in De schuldigen niet te weten over Frederik Termaet. De roman concentreert zich op de drie leden van de disfunctionele familie Löwestein wiens levens ingrijpend worden beïnvloed door Termaets aanslag op het bankwezen – de cruciale daad van de roman. Over de bankier, collega van Bertrand Löwestein, wordt af en toe gesproken. En een paar keer wordt zijn leven gereconstrueerd ‘aan de hand van videobeelden, mail- en sms-verkeer, dagboeknotities en telefoongesprekken, Facebook- en Twitterupdates, gps-gegevens en geldtransfers.’ Zo zakelijk en afstandelijk mogelijk dus.
Ook dat is typisch Van Aalten. Geen van zijn romans bevat een rechttoe rechtaan-verhaal met een chronologische opbouw. Hij experimenteert wellustig met flashbacks en flashforwards, een meervoudig perspectief en gebeurtenissen uit het onbewuste of parallelle werelden, waarmee hij een vaak David Lynch-achtige vervreemding nastreeft. In Sluit deuren en ramen zou je Nick Vegas daarom ook kunnen beschouwen als slechts de rode draad die de verhalen van tal van andere personages bij elkaar houdt. In De onderbreking (2009) beseft Victor dat hij gevangen zit in Hotel Kilimanjaro door de verhalen aan elkaar te knopen die nachtportier Harry hem laat lezen.
Net zo experimenteel als de structuur is de vorm – zoals je kan verwachten van een auteur die in het dagelijks leven docent crossmediale journalistiek aan de Hogeschool van Amsterdam is en daar ook een handboek over schreef. In Tupelo verweeft Van Aalten brokken filmscenario’s, dictafoonfragmenten en weergaven van een talkshow in het verhaal, waarmee hij de onbewuste belevenissen van Victor weergeeft. In Sluit deuren en ramen introduceert hij de chaos in Nederland met een journalistieke reportage van een Amerikaanse correspondent, en de oplossing daarvoor (de woonwijk Substraat Redux) met een wervende makelaarsfolder voor toekomstige bewoners.

Veel succes had Van Aalten nooit met zijn mengeling van obscure personages, buitenissige vondsten én grote thema’s. Nadat zijn eerste twee boeken werden afgekraakt, werd hij zelfs voornamelijk genegeerd door de mainstream media. Het was gewild schockerend. Rommelig geschreven: clichématig, flauw. Hooguit een slap Hollands aftreksel van – jawel – Bret Easton Ellis, David Lynch en J.G. Ballard. Vooral de vergelijking met de eerste is een constante. Tupelo was volgens Pieter Steinz (NRC Handelsblad) een nietszeggende ode aan Less Than Zero. De onderbreking was lang niet zo goed als Lunar Park, meende Arie Storm (Het Parool).
Een enkele keer wist Van Aalten met een stunt de aandacht op zijn werk te vestigen. Coyote bracht hij als podcast in wekelijkse afleveringen, zijn voordracht ondersteunend met sferische muziek om de filmische, donkere ondertoon bracht. Met Exile schreef hij in 2007 een roman voor de gsm. En hij stapte een paar keer met veel poeha over naar een nieuwe uitgeverij – inmiddels is hij al aan zijn vierde toe. Hij haalde er iedere keer de pers mee in Nederland en Vlaanderen, en passant liegend dat hij voor zijn podcast direct tienduizend abonnees had. Maar effect had het nauwelijks. Pers en publiek moesten niets van zijn werk hebben, zelfs niet als cultboeken.
Van Aalten bleef onder de radar – ook nadat verwante auteurs als Auke Hulst en Joost Vandecasteele hun eerste boeken met soms aanzienlijk meer weerklank publiceerden. Tot in september dit jaar de jury van de AKO Literatuurprijs 2011, waar ik zelf deel van uitmaakte, De schuldigen op de Tiplijst zette.

In De schuldigen vallen alle elementen van Van Aaltens werk eindelijk op zijn plaats. De personages en plotverwikkelingen staan nadrukkelijk in dienst van wat de auteur wil zeggen over de economische crisis die in verschillende gedaanten sinds 2008 over de wereld raast. De verwijzingen naar de modieuze underground cultuur en technologische ontwikkelingen zijn beperkt tot het noodzakelijke. Net als het experiment met structuur en vorm. En de stijl moet niet langer opzichtig opwindend zijn, maar is eerder effectief te noemen. Kort gezegd: Van Aalten heeft zich ingetoomd en zo de zeggingskracht van zijn werk vergroot.
‘Schuldig’ is in de eerste plaats de familie Löwestein. De bankier Bertrand, die wordt verteerd door heimwee naar zijn vakantiebaantje in een potlodenfabriek en geheimzinnige voorspellende boodschappen krijgt op displays. Zijn hedonistische ex-vrouw Sheila, die het leven van met drank overgoten tuinfeestjes in Wassenaar heeft verruild voor steeds radicalere spirituele experimenten en daarna een geloof in plastische chirurgie. En hun zoon Orson, die naam heeft gemaakt als experimentele documentairemaker. Na de scheiding hebben de gezinsleden elkaar al zeker vijftien jaar niet gezien. Geen van hen heeft behoefte aan contact.
Ieder speelt op zijn manier een rol in wat je met een moralisme dat in de roman zelf niet zo nadrukkelijk aanwezig is, kunt aanduiden als: de verloedering van de elite. Ze zijn in niets anders geïnteresseerd dan de bevrediging van hun eigen behoeftes. Ze zijn onverschillig. Of ze zoeken juist wanhopig betekenis en diepgang bij iedere spirituele mode die voorbij waait. Zo vallen ze in handen van iedereen die daar misbruik van kan maken – puur om eraan te verdienen, zoals aanbieders van persoonlijkheidstrainingen, of om hun eigen perverse droom na te jagen, zoals de plastisch chirurg die hoopt de perfecte kopie van Lady Di te maken.
Toch is dat nog betrekkelijk goedaardig. De achteloze wijze waarop de Löwesteins hun  welvaart hebben vergaard en ervan genieten, zonder zich ooit af te vragen waarop het gebaseerd is – zelfs wanneer Bertrand daar expliciet toe wordt uitgenodigd door de geheimzinnige boodschappen – maakt hen tot schaakstukken in het spel van een ware grootmeester: Frederik Termaet. Door zijn eigen bank, schijnbaar doelbewust, op te lichten voor 65 miljard dollar, laat hij een bom ontploffen onder het gehele financiële stelsel. Op het moment dat het in Dubai uitkomt, wordt Bertrand zelf gearresteerd. Op grond van hebzucht.
De vraag is alleen: wat waren Termaets motieven? In zijn afscheidsbrief, gevonden na zijn zelfmoord, neemt hij afstand van de bancaire wereld. Maar op een briefje bij zijn hoofd stond: ‘Expositie van de 21e eeuw’. Daarmee sloot Termaet zich aan bij het gedachtegoed van radicale denkers voor wie executives als bankiers en CEO’s in de eerste plaats kunstenaars zijn die, dankzij hun positie, de werkelijkheid zelf kunnen verheffen tot een kunstwerk. Zoals kunststromingen als Fluxus en het situationisme deden, waarnaar Van Aalten een paar keer verwijst. Was het opblazen van het financiële systeem voor hem slechts het ultieme kunstwerk?
Zonder zelf een oordeel te geven laat Van Aalten zien dat de economische crisis misschien wel een groteske grap is. Wij kennen maar één manier om te oordelen – zoals ook de aanslag van de Nieuwe Anarchistische Radicalen wordt beoordeeld als fundamentalistisch-islamitisch geïnspireerd in plaats van als de performance die het waarschijnlijk was. Maar zit er niet ook humor of schoonheid in de opeenvolging van internationale financiële malaise die ons de afgelopen jaren treffen?

Intrigerend. Dat is het woord dat bij uitstek bij De schuldigen past. Van Aalten zet je aan het denken over de economische crisis door er met een onverwachte, andere blik naar te kijken. Maar een perfecte roman is zijn zesde niet. De structuur is gericht op onthulling van het kunstzinnige karakter van alle daden met maatschappelijke impact. Daardoor komt de de ontknoping op het niveau van het plot al op de helft van de roman: de aanslag in Dubai, waar de familie Löwestein elkaar even later weer ontmoet. Pas daarna vertelt Van Aalten hoe Sheila en Orson daar terecht zijn gekomen. Een lezer ervaart dat toch als een vroegtijdige ejaculatie.
(Eerder gepubliceerd in Ons Erfdeel 2, 2012)

maandag 9 juli 2012

Interview met Manon Sikkel over social media en uitgeverijen (Boekblad)


MANON SIKKEL (WINNAAR NEDERLANDSE KINDERJURY)
‘Auteurs mailen mij: zo’n uitgever wil ik ook’
Na negen overwinningen op rij moest Francine Oomen de prijs van de Nederlandse kinderjury in de categorie 10-12 jaar dit keer laten aan Manon Sikkel voor haar boek Hoe word ik een koppelaar? door IzzyLove

Gefeliciteerd met uw bekroning. Had u ook verwacht de prijs van de Nederlandse Kinderjury te winnen?
‘Alleen gehoopt. Ik dacht dat ik met Francine Oomen en Paul van Loon op de nominatielijst weinig kans maakte. Het Hoe overleef ik-tijdschrift heeft 50.000 abonnees. Als Oomen die vraagt om op haar te stemmen! Mijn verkoopcijfers groeien wel en ik heb steeds meer fans, maar die aantallen staan niet in verhouding. Misschien heeft het geholpen dat Francine Oomen was genomineerd met een boek dat eigenlijk een samenvatting is van wat in haar tijdschrift stond en dat volgens mij deels niet door haar geschreven is. Met een normaal Hoe overleef ik-boek had ik nooit gewonnen.’

Heeft deze prijs commercieel effect?
‘Enorm. Ik zou een paar dagen later signeren bij Selexyz in Amsterdam, maar dat kon niet doorgaan omdat het boek niet meer leverbaar was. De voorraad van zo’n duizend boeken bij Centraal Boekhuis was gelijk weg. En sinds de uitreiking word ik iedere dag door SSS gebeld omdat een school of boekhandel me wil boeken. Hopelijk haal ik nu ook de Bestseller 60. De prijs van de Nederlandse kinderjury is voor mij de belangrijkste, dus dat is het enige wat ik nog te wensen heb.’

Heeft u zelf veel campagne gevoerd voor Hoe word ik een koppelaar?
‘Zeker. Ik ben vanaf het begin van deze serie heel actief op Hyves. Ik heb inmiddels 5000 vrienden. Ik reageer altijd op alle berichten. En ik krijg veel fanmail die ik altijd beantwoord. Dat is best een ballast soms. Het kost me elke dag een uur, ook in het weekend. Ooit overwoog ik ermee op te houden, maar toen vertelde een collega-redacteur van Psychologie magazine dat Isabelle Allende elke dat twee uur mails van lezers beantwoord. Toen heb ik toch maar volgehouden. En dat is maar goed ook: zo creëer je trouw van fans.’

Zie je deze contacten als een verplichting? Misschien juist ook voor een kinderboekenauteur: zoveel aandacht hebben media niet voor het genre.
‘Ik heb ook dertig boeken voor volwassenen geschreven. Dat is even hard werken. Maar het is zeker waar dat je als schrijver veel zelf moet doen voor de promotie van je boek. Vroeger sprak het voor zich, de schrijver bestond niet. Nu wordt – al jaren – de schrijver achter het boek gepromoot. Daarom hangt de stad vol affiches met leuke schrijfsters die je toelachen. Aan de andere kant profiteer ik ook van alle contacten. Ik zie wat kinderen bezighoudt. Hun taalgebruik. De merken die ze noemen. Het is alsof ik een uur of een schoolplein met kinderen klets. Daar steek ik veel van op.’

U noemde als eerste Hyves. Is dat het belangrijkst medium?
‘Voor mijn lezers zeker. Aan het eind van groep 8 stappen ze over op Facebook. E-mail vinden kinderen ouderwets. Dat gebruiken ze alleen als ze van hun ouders niet op Hyves mogen. Sommigen twitteren ook, maar dat zijn alleen heel taalvaardige kinderen in de Randstad. Voor de meesten komt Twitter later.’

Hebben collega’s die minder aan sociale media doen minder succes?
‘Ik denk wel dat schrijvers die actiever zijn, zichtbaarder zijn. En als je lezers je kennen, vinden ze je aardiger en sympathieker en denken ze ook dat je boeken leuker zijn. Alleen als je al een naam hebt, kun je het veroorloven minder actief te zijn online. Een schrijfster als Carry Slee.’

U geeft ook journalistieke boeken uit bij Bert Bakker en Gottmer. Waarom bent u voor uw kinderboeken naar een andere uitgeverij gegaan: Dutch Media?
‘Bij Gottmer geef ik reisboeken, kookboeken, psychologie- en ehbo-boeken uit. Als ik voor hen ook nog kinderboeken zou schrijven, is dat verwarrend voor boekhandelaren. En ik zocht een uitgeverij die zou zeggen: we geloven in je, we gaan je flink promoten – zoals ik dat zelf doe. Gottmer heeft met Dikkie Dik, De Grijze Jager en Eric Carle zulke kaskrakers dat ze voorzichtiger kunnen zijn. Terecht in deze tijden, maar ik had een uitgeverij nodig die echt risico durft te nemen. Ondernemers.’

Waarom kwam u bij Dutch Media uit?
‘Op grond van het fonds, ervaringen van andere schrijvers, vestigingsplaats en hoe ze zich profileren op sites stond Dutch Media mij het meest aan. Vooral hun slogan: “we love books, and we love selling them” past bij mij. Je merkt dat iedereen van Dutch Media heel commercieel is. Het wordt niet alleen aan de afdeling marketing en pr overgelaten. En ze bedenken daarbij leuke manieren om op te vallen. Dutch Media prijst zijn waar aan als een marktkoopman, zoals volgens mij moet in deze tijd van crisis en steeds meer boeken op de markt.’

Kunt u een voorbeeld geven van opvallende marketing?
‘Het zit hem vooral in de royale houding van de uitgeverij. Tegenover de pers,  de boekhandel én auteurs. Ze denken groots: als het vandaag niets oplevert, dan volgend jaar of over twee jaar. Ik denk bijvoorbeeld aan het eten voorafgaand aan het kinderboekenbal met alle auteurs. Iedereen mag mee, ook partners of bevriende schrijvers. En uitgever Thille Dop neemt me mee naar Bologna en drinkt vaak een kopje koffie met me. Omdat ik daarover blog, merk ik dat niet iedere uitgever zo is. Auteurs mailen mij: zo’n uitgever wil ik ook. Marian De Smet en Marlies Slegers zijn dankzij mijn enthousiasme zelfs overgestapt naar Dutch Media.’

(Uitgebreide versie van interview in Boekblad Magazine 9, 2012)

Zie ook:

zondag 8 juli 2012

Interview: Maartje Wortel over haar debuut 'Dit is jouw huis' (BOEK)


Toen Maartje Wortel de belangrijkste schrijfwedstrijd voor jongeren won, stonden uitgevers in de rij om haar werk te publiceren. Nu ligt haar eerste verhalenbundel Dit is jouw huis in de winkel.

'Ik kon kiezen wie mijn werk zou uitgeven'

Maartje Wortel (1985) volgde de opleiding Woord en Beeld aan de Rietveld Academie in Amsterdam. Ze won in 2007 Write Now!, de landelijke schrijfwedstrijd voor jongeren tussen 14 en 24 jaar, met ‘45 km’. Sindsdien publiceerde ze verhalen in literaire tijdschriften als De Gids, De Brakke Hond en Passionate.

Wat bindt de zeventien verhalen van Dit is jouw huis?
‘Dat mijn personages zich bewust worden van hun plaats in deze wereld. Snap je? Niet dat ik die verhalen heb geschreven met een rode draad in mijn achterhoofd, hoor, dat viel me pas later op. De eenheid is ook niet zo belangrijk. Mijn verhalenbundel is alsof je door een straat loopt en allemaal mensen ziet. De straat is dan het kader.’

Wil je wel een statement met deze bundel maken?
‘O, nee. Ik wil met taal bezig zijn. Ik schrijf vanuit beelden, kleine ideeën, korte zinnetjes, waar voor mij een prikkeling vanuit gaat. Een gevoel, dat ik in een verhaal wil vangen. Zo ging ik bijvoorbeeld verhuizen. Mannen kwamen in huis om de maat te nemen of uit te zoeken hoe de elektriciteit liep. Daar werd ik zo onrustig van. Ik ging alles anders bekijken. Dat leidde tot ‘Verkocht’.’

Hoe lang schrijf je al?
‘Vanaf mijn vijftiende schreef ik gedichten. Pas op de Rietveld volgde ook verhalen. Maar eigenlijk is er weinig verschil. Mijn gedichten zijn korte prozastukjes. Op de Rietveld volgde ik de opleiding Woord en Beeld. Ik maakte daar ook filmpjes, foto’s, tekeningen... Juist het werken met beeld leerde me schrijven. In het begin schreef ik letterlijk wat mensen voelden, wat er gebeurde. Dat kun je ook laten zien met beelden.’

Deed je vaak mee aan verhalenwedstrijden als Write Now!?
‘Nee. Alleen Write Now! Op school lazen alleen de klas en de leraar mijn verhalen. En die leveren altijd alleen kritiek. Daar krijg je weinig zelfvertrouwen van. Ik wilde toen mijn werk naar buiten brengen om te zien of het daar werd gewaardeerd.’

Ja dus. De overwinning wekte veel interesse van uitgeverijen.
‘Dat was overdonderend. Ik kreeg zo veel aanbiedingen. Ik kon kiezen wie mijn werk zou uitgeven. Ik werd daar erg onrustig van. En ik had nog helemaal niets om te publiceren – bijna alle verhalen uit Dit is jouw huis heb ik het afgelopen jaar geschreven. Ik tekende ook niet direct een contract. Het gekke is: ik zit nu bij De Bezige Bij, terwijl die me pas leerden kennen uit de eindexamenbundel van het Rietveld.’

Was het ondertekenen van het contract met de uitgeverij nog wel een gelukkig moment?
‘Ik wilde dit altijd al. Op de middelbare school schreef ik in ‘mijn klasgenoten’-boekjes dat ik schrijfster wilde worden. Maar als het eenmaal zo ver is, is het toch minder groot dan gedacht. Ik blijf er droog onder. Maar natuurlijk is het een groot geluk.’

Waarom koos je voor De Bezige Bij? Sneeuwt een debutant niet onder in één fonds met Harry Mulisch, Tommy Wieringa en Remco Campert?
‘Dat zijn toch ook gewoon mensen die op de feestjes van De Bezige Bij een biertje drinken? Ik ben misschien niet zo groot, of nog niet, maar ik schrijf ook. De mensen die er werken, zijn allemaal heel prettige, lieve mensen. Ik voel me opgenomen in een familie.’

Wat verwacht je van je debuut?
‘Ik zou het al heel leuk vinden als mensen het kopen die ik niet ken. En hopelijk ontstaat een dialoog met de lezer. Neem het titelverhaal. Daarin maakt de hoofdpersoon foto’s van gevels die ze daarna bij de huizen in de bus doet. Ik hoop dat het bij de lezer hetzelfde gevoel teweeg brengt als bij de bewoners in het verhaal.’

Maartje Wortel, Dit is jouw huis (160 p.), 9789023455004, De Bezige Bij, 14,90 euro.
(Eerder gepubliceerd in BOEK 5, 2009)

Eerder in deze serie: Jamal Ouariachi

zaterdag 7 juli 2012

Boekenmusea: spelplezier en inspiratie met Suske en Wiske (Knack)


Aflevering 1. Hoe bedacht Willy Vandersteen zijn strips? En hoe doe je het zelf? Het Suske & Wiske Kindermuseum beantwoordt beide vragen.

Hoe lang zou het duren voor een striptekenaar opstaat die beweert: in het Suske & Wiske Kindermuseum sloeg de vonk over? Nu is het nog te vroeg. Halverwege de jaren negentig kocht de provincie Antwerpen de voormalige woning van Willy Vandersteen om het te behoeden voor sloop en er een museum voor kinderen in te vestigen. De eerste generatie scholieren van acht tot twaalf jaar die in Kalmthout de wereld van een van de populairste stripseries allertijden betraden zijn amper twintig. En misschien deed het museum ook wel niet zo veel om de vonk te laten overspringen.
Dat kun je nu niet meer zeggen. Sinds de grondige renovatie die eerder dit jaar is afgerond is het bezoek aan het Suske & Wiske Kindermuseum helemaal gericht op het wonder van de inspiratie. In het drie uur durende programma volgen de groepen eerst een parcours langs negen ruimten waarin ze steeds een andere invalshoek krijgen voorgeschoteld om ideeën op te doen. Daarna mogen ze dat in het atelier in de praktijk brengen door zelf een strip van twee pagina’s te tekenen. Een korte inleiding leert ze eerst de basisbeginselen van het tekenen.
In ieder van de negen ruimten moeten de bezoekers een opdracht doen die laat zien wat de verbeelding allemaal in werking zet. In de eetkamer van Sidonia maakt een spelletje duidelijk waaruit een hoofdpersoon bestaat: niet alleen uit een lichaam, maar ook uit eigen kleding, accessoires en uitspraken. In de haven van De Sissende Sampan (nr. 60) bewijst een quiz dat de hele wereld het decor kan zijn – met alle couleur locale die daarbij hoort. En steeds moeten de bezoekers daarna zelf een hoofdpersoon, verre streek enzovoorts kiezen die hen inspireert.
Het museum is er zo ook in geslaagd om op een speelse manier kennis over te dragen van Willy Vandersteen en zijn geliefdste creatie. De gereconstrueerde werkkamer van de tekenaar toont een film over zijn leven en werk. In de vitrines daarnaast liggen originele tekeningen, albums en objecten van Vandersteen. Maar ook grijpt het museum de invalshoek van je eigen wereld als inspiratiebron aan om te laten zien hoe de schepper van Suske en Wiske dat deed. Zo leer je dat de naam Wiske is gebaseerd op de zangeres Wieske Ghijs, van wie moeder Vandersteen fan was.
Het parcours zit slim elkaar. Dankzij de mogelijkheden van de moderne techniek blijft iedere groep precies even lang in elke ruimte. En kan iedereen in de ruimte doen wat hij daar geacht wordt te doen. Een usb-stick in de vorm van een groot potlood houdt van iedereen individueel bij welke inspiratiebronnen hij heeft gekozen, die aan het einde worden geprint. De enige kritiek die je kunt hebben is dat de ruimtes in het kleine gebouw te dicht op elkaar liggen, waardoor de geluidsoverlast behoorlijk is. Het museum beseft dat gelukkig terdege: binnenkort komen er gordijnen.
Van oudsher is het Suske & Wiske Kindermuseum gericht op scholen. Dat kun je goed merken: de moeilijkheidsgraad van de spelletjes en opdrachten is laag, de invalshoek van een bezoek is primair het bieden van vermaak. Toch is het begrijpelijk dat sinds maart volwassenen op familiedagen deelname aan het parcours kunnen reserveren. Wie met Suske en Wiske is opgegroeid – en wie is dat tegenwoordig niet gezien de start in 1945 – vindt in Kalmthout een feest der herkenning. En als hij het kind in zichzelf naar boven laat komen: veel plezier.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 6 juli 2012)