donderdag 15 november 2012

Boekhandel Bouwman sluit filiaal in Maarssen (Boekblad)


Boekhandel Bouwman heeft per 1 november haar filiaal in Maarssen gesloten. Voor de hoofdvestiging in De Bilt onderhandelt eigenaar Herman Bouwman met een overnamekandidaat.

De sluiting van Maarssen is een direct gevolg van het ontbreken van een opvolger, legt de 65-jarige Bouwman uit. Zijn dochter Marie-Louise Bouwman die bedrijfsleider is en momenteel met zwangerschapsverlof, vertrekt over enkele maanden met haar gezin naar Noorwegen. ‘Zij had anders vermoedelijk beide zaken overgenomen. Ik wil niet zeggen dat ze die gekregen had, maar wel bijna. Voor zover dat belastingtechnisch mogelijk was.’ Marie-Louise had de winkelvoering overgenomen van haar broer Gerrit-Jan toen die in 2010 naar Australië emigreerde.
Bij gebrek aan opvolger moest Bouwman verkopen. Langer werken wil hij niet. Maar of hij beide winkels kon verkopen, betwijfelde hij. ‘De omzet in de winkel van De Bilt is geen probleem. Ook bij een terugzakkende markt blijft die winkel rendabel. Maar dat geldt niet voor het filiaal in Maarssen, hoewel die momenteel geen verlies maakt. Een bank geeft momenteel geen geld aan boeken uit. Door Maarssen nu te sluiten, kan ik de boeken naar De Bilt overbrengen en veel exemplaren via die winkel lozen – en dan de winkel in De Bilt met boeken en al verkopen.’
Inmiddels is Bouwman in gesprek met een overnamekandidaat. Een naam wil hij niet geven, omdat er nog geen handtekening onder een contract is gezet. Maar hij is wel blij dat het een vakgenoot is. ‘Wij zijn een pure boekhandel. We verkopen geen e-readers of e-boeken en doen ook weinig met internet. Wij hebben veel boeken en omdat men dat in deze buurt weet, blijven de mensen daar voorlopig voor komen. De nieuwe eigenaar mag uiteraard doen met de winkel wat hij wil, maar het is voor nu wel belangrijk dat hij veel van boeken weet.’
Het opvolgingsprobleem volgt op een vervelend jaar door het faillissement van Libridis. ‘Wij waren een van hun grotere klanten, goed voor 1,2 miljoen euro per jaar. Tot 7 mei en de schermen binnen veertien dagen op zwart gingen. Wij moesten helemaal opnieuw beginnen. Wij hadden geen back-up, en ik had nog niet alles overgezet naar CB. Dat betekende dat wij een half jaar lang bij ieder boek dat in de media opdook moesten kijken: hebben wij die besteld? Geert Mak hadden we pas drie dagen na verschijnen. In de tussentijd hadden we zes keer nee verkocht. Heel vervelend.’
Die problemen is Bouwman nu te boven. In oktober pluste de winkel weer. Ook had het ontslag van het personeel van Maarssen als bijkomend voordeel dat hij de bezetting in De Bilt ‘kon corrigeren op de omzet’, zoals Bouwman het noemt. ‘We zijn teruggegaan van 12 naar 4. Daardoor kan de winkel goed blijven draaien – ook al groeit het belang van internet en e-boeken. Ik denk dat veel collega’s hetzelfde probleem hebben: ze hebben door teruglopende omzet eigenlijk te veel personeel, maar willen dat niet erkennen, hopen op betere tijden enzovoorts. Maar een goed ondernemer moet ook dit soort vervelende beslissingen nemen.’
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 12 nov 2012)

woensdag 14 november 2012

Uit de donkere kamer van W.F. Hermans (Knack)


Willem Frederik Hermans deed alsof fotograferen maar een hobby was. Ondertussen bereikte hij een hoog niveau, zoals nu in Rotterdam te zien is.

In De donkere kamer van Damokles speelt fotografie een cruciale rol. Als Osewoudt aan het slot van de roman zijn ondervragers voorhoudt dat hij geen verraad heeft gepleegd maar slechts handelde in opdracht van Dorbeck, krijgt hij één kans om het bestaan van zijn dubbelganger te bewijzen. Hij moet zelf de foto ontwikkelen die hij met zijn Leica via een spiegel van hemzelf en Dorbeck had gemaakt. Tevergeefs, zoals bekend. De foto blijkt mislukt, niemand gelooft Osewoudt nu nog.
Het is daarom toepasselijk dat het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam de uitverkiezing van Willem Frederik Hermans’ bekendste roman voor de leesbevorderingsactie Nederland Leest aangrijpt om Hermans foto’s weer eens te exposeren. Op een toepasselijke plek ook: in de marge van de vaste opstelling over 185 jaar Nederlandse fotografie. Hermans was namelijk niet zomaar een schrijver die regelmatig een kiekje afdrukte, hij bekwaamde zich – net als Osewoudt met een Leica – serieus in de fotografie.
Aan zijn uitlatingen zou je dat niet afleiden. Hermans fotografeerde omdat iedere Nederlandse auteur uitvoerig huizen, interieurs, landschappen enzovoorts beschrijft, legde hij in 1962 uit. ‘Aangezien ik ook een Nederlandse auteur ben, ben ik ook [met die neiging] behept. Ik acht die neiging over het algemeen funest voor de roman. Romans moeten gaan over mensen of over wat ze beleven. (...) Ik ben gaan fotograferen om die neiging daarin bot te vieren.’
De feiten spreken andere taal. Hermans fotografeerde al op zijn twaalfde met een boxcamera. Eind jaren vijftig was hij voluntair bij Nico Jesse, in die tijd de vaste fotograaf van het boekenbal. Hij publiceerde verschillende fotoboeken: Koningin Eenoog (1986) en Een foto uit eigen doos! (1994). En hij exposeerde zijn werk meermaals. Koningin Eenoog verscheen ter gelegenheid van een tentoonstelling in het prestigieuste museum voor moderne kunst in Nederland, het Stedelijk Museum in Amsterdam.
Hermans’ foto’s sluiten thematisch aan bij zijn literair werk. Hij legde straattaferelen en objecten vast met dezelfde licht surreële blik als waarmee hij schreef. Zie de lezende gehandicapte in een zelfontworpen leesstoel. Of de noodtrap van een gebouw die niet tot de straat reikte – met het logische opschrift 'Escape unsafe’. De foto van een Spaanse reclame van een getekende dikke baby, getiteld ‘De verschrikkelijke baby’, had perfect als boekomslag voor Een wonderkind of een total-loss kunnen dienen.
Wie zelf Hermans foto’s wil vergelijken met zijn romans, kan nog tot 13 januari de tentoonstelling bezoeken. Wie de reis niet wil maken, kan een kleine selectie van Hermans’ werk zien uit het bijna 10.000 foto’s omvattende archief op de site van het Willem Frederik Hermansinstituut. Of wachten tot 2014. Dan verschijnt het deel uit het Verzameld werk met Hermans beeldende werk, inclusief zijn fotocollage’s. Daarmee erkennen de samenstellers dat de foto’s onlosmakelijk bij het werk horen.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 13 nov 2012)

Zie hier voor een schrijfster die fotografeert. En hier voor een roman waarin fotografie een belangrijke rol speelt – zo niet de hoofdrol.

maandag 12 november 2012

Sacha de Boer: Ook in Het Journaal is ruimte voor creativiteit (Taalpeil)


Sacha de Boer (nieuwslezeres van het NOS Journaal): ‘Correct taalgebruik is zeer belangrijk. Mensen beschouwen het Journaal als de norm. Als wij het niet goed doen, krijgen we op onze kop van de kijker. Iedere taalfout levert altijd een reactie op. Of gebruik van spreektaal. Als ik een vraag stel aan een correspondent, flap ik er weleens uit: “En wat betekent dat eigenlijk?” Laatst kreeg ik een brief van een kijker dat ik vaak “eigenlijk” zeg. Het is een nietszeggend woord. Het is gewoon een druppel smeerolie in de spreektaal, die ik er niet eens bewust in gooi.
Een speciale presentatietraining heb ik nooit gekregen. Van elke journalist die hier werkt wordt uiteraard en goede beheersing van het Nederlands verwacht. Ik heb het van huis uit meegekregen. Mijn vader heeft mij gek gecorrigeerd in het gebruik van hun en hen. Nu nog steeds trouwens. Hier loopt gelukkig iemand rond die heel goed is in taal. Peter Taal heet hij, nomen est omen. Hij kijkt altijd naar alle teksten. Als hij iets geks tegenkomt, loopt hij even naar de 8 Uur-desk om dat te vertellen.
Iedere presentator schrijft, herschrijft of redigeert zijn teksten. Regels zijn er niet voor, hooguit richtlijnen. Engels zou niet moeten. Een beetje creativiteit kan wel, ook al snapt niet elke kijker dat. Toen een Russische nieuwslezeres over Obama sprak en haar middelvinger opstak, was dat die dag ons laatste – luchtige – onderwerp. Ik noemde haar “mijn Russische collegaatje” – ook op die ‘tongue-in-cheek’toon uitgesproken. Ik vind dat kunnen, maar op Twitter stond gelijk: wat zegt die Sacha de Boer voor iets sufs. Ach, dan zijn er maar paar misverstaanders die mijn gevoel voor humor niet begrijpen.
Laatst stond in de krant dat Het Journaal jovialer wordt. “Hé, hallo daar allemaal, daar zijn we weer”. Maar zo stond het niet in het gelekte interne stuk. Het gaat erom dat we het formeel taalgebruik vermijden. Woorden als “nochtans”, uitdrukkingen als “gezien de huidige situatie”. In Het Journaal spreken we geen schrijftaal, maar spreektaal. Heldere, duidelijke spreektaal. Let daar op, stond in het stuk. De hoon was onterecht, want het Journaal zal nooit popiejopie gaan doen.”
(Eerder gepubliceerd in Taalpeil. Net als dit en dit stuk.)

zondag 11 november 2012

Des romans français: Henry Bauchau, 'Het blauwe kind'


In Het blauwe kind van de Franstalige Belgische auteur Henry Bauchau (1913-2012) krijgt psychoanalytica Véronique in een dagcentrum in Parijs de jongen Orion onder haar hoede. Een ontredderd kind dat in de greep is van ‘de demon van Parijs’ die hem dwingt tot agressieve handelingen. De andere kinderen in het dagcentrum lokken zijn woede-uitbarstingen uit waardoor hij stoelen en tafels tegen de muur gooit en deuren intrapt. Véronique zal hem één op één gaan begeleiden, een langdurig proces dat meer dan tien jaar in beslag zal nemen.
Bauchau beschrijft op indringende wijze de jaren die Véronique en Orion samen doorbrengen; het is niet alleen een proces waarin Orion steeds zelfstandiger wordt en zijn angsten leert bedwingen, maar ook Véronique leert van de gehandicapte jongen. Ze zoekt de kwetsbare grens tussen een professionele relatie en affectie, ze leert doorzetten op momenten dat het allemaal tegenzit, ze leert dat kleine gedragsveranderingen voor Orion grote stappen voorwaarts zijn.

Ik moet van mezelf houden om van anderen te kunnen houden, om voor anderen te kunnen zorgen. Om […] het wachten voor de deur die niet opengaat te kunnen doorstaan.

De man van Véronique, Vasco, breekt door in de muziek en reist de hele wereld over om concerten te geven. Daardoor is ze vaak alleen, of samen met Orion die ze ook thuis ontvangt zodat hij kan tekenen. Want dat is een groot onderdeel van haar therapie: Orion door de kunst uit zijn isolement halen en hem leren zichzelf te respecteren.

Om zich te ontplooien heeft zijn verbeelding een luisterend oor nodig, iemand die in hem gelooft en hem door dat vertrouwen de bovenmenselijke kracht geeft om door te gaan en boven het banale uit te stijgen.

Je kunt je afvragen of deze observatie van Véronique ook niet geldt voor de ‘gezonde’ medemens. Houdt Henry Bauchau, zelf psychoanalyticus, ons een spiegel voor om ons te laten zien dat iedereen in meer of mindere mate onstabiel is en leidt aan angsten die voor blokkades zorgen? Iedereen is gebaat bij een luisterend oor, bij vertrouwen, bij ontplooiing. Niet dat Het blauwe kind een zelfhulpboek is, zeker niet. Maar een roman wint aan kracht wanneer je als lezer af en toe stilstaat bij beschrijvingen omdat ze ook betrekking kunnen hebben op jezelf.
En dan is er het blauwe kind. Een waanbeeld van Orion van een kind dat hem ooit bijstond toen hij als vierjarige aan zijn hart werd geopereerd. Het kind is er wanneer Orion hem nodig heeft, spoort hem aan zich in bedwang te houden, loopt met hem mee als hij het zwaar heeft.

Als Orion wakker wordt, is hij er. Het blauwe kind, het kind van de blauwe ziekte. Hij is groot, hij is pas zeven jaar. Hij zit op het bed op een manier die niet stoort en hij houdt mijn hand vast. Orion is heel blij. Hij kent dit blauwe kind niet…maar voelt meteen dat hij mij wel kent.’
‘Hij kent jou?’
‘Weet niet, mevrouw. Het is een ziekenhuiskind, een echt kind dat mijn hand vastheeft en het is ook het kind dat Orion verzint om niet al te verongelukkigd te zijn.

‘Verongelukkigd’ - een mooie vondst van de vertaler. Op zulke momenten vraag ik me af wat er in de Franse tekst zou staan, al heb ik verder nergens het gevoel een vertaling te lezen. En dat is de verdienste van Kris Lauwerys. Nog een paar prachtige vondsten van woorden waarmee Orion zijn gevoel probeert uit te drukken: ‘Orion is helemaal verwrakt door wat hij van hem [de demon] moest doen’ en ‘… maar hij was bang voor dat bijna, een woord dat behekselt.’
Veronique stimuleert Orion te tekenen en beeldhouwen, waardoor het hem lukt de hallucinaties, wanen en geweldsuitbarstingen voor een groot deel te kanaliseren in kunstwerken die zelfs geëxposeerd worden en waar hij prijzen mee wint. Orion mag het dagcentrum verlaten en gaat werken in een graveeratelier, Véronique brengt de frequentie van de sessies terug en langzaam begint het afscheid nemen. Na dertien jaar afhankelijkheid leert Orion op eigen benen te staan. Het ultieme bewijs daarvoor is dat hij uiteindelijk het woordje ‘ik’ gebruikt wanneer hij over zichzelf spreekt, in plaats van ‘hij’ of ‘Orion.’

Hij, dat is Orion met een dosis demon van Parijs. Als Orion ‘ik’ zou zeggen, zou de demon van Parijs misschien niet meer zo makkelijk toegang tot je hoofd krijgen. ‘Ik’ is smaller dan ‘hij’, de demon zou er geen plaats hebben.

Het blauwe kind is een krachtige roman over de strijd van een vrouw die een gebrekkige en ontredderde jongen zijn eigen kwaliteiten leert ontdekken en hem zijn identiteit geeft, zijn eigen ‘ik’. En als ze aan het einde haar pupil los moet laten, en zij ieder hun weg gaan, blijft de lezer enigszins ontredderd achter: wie te volgen? Véronique met haar volgende patiënt of Orion als beginnend kunstenaar? Of juist je eigen weg met de inzichten die Bauchau je door het verhaal heen heeft voorgehouden?

zaterdag 10 november 2012

Harry Mulisch, 'Logboek 1991-1992' (BOEK)


Inkijk in een karakter

Omdat De ontdekking van de hemel zo dik zou worden, besloot Harry Mulisch de vulpen te verruilen voor een computer. Die beslissing blijkt nog een boek te hebben opgeleverd. Bijna een jaar nadat hij aan zijn magnum opus begon, realiseerde hij zich dat hij weer een dagboek bij kon houden. Immers: de verbeteringen die hij ook in particuliere notities zou aanbrengen, zouden op de computer niet meer hinderlijk zichtbaar blijven. Zo kon hij de voortgang van wat hij zelf ook als de hoogtepunt van zijn oeuvre beschouwde, documentair vastleggen.
Mulisch heeft de tekst van zijn Logboek zelf persklaar gemaakt. In 2008 had De Bezige Bij het al aangekondigd, maar de schrijver trok het op het laatste moment terug. De reden: de tekst behoefde op literaire gronden aanpassingen, terwijl Mulisch deze tegelijk als voltooid beschouwde. Omdat hij toestemming heeft gegeven om al het ongepubliceerd materiaal in zijn nalatenschap na zijn dood te publiceren, wordt het nu alsnog uitgegeven.
Het interessante van het zeer leesbare Logboek is dat het meer is dan een ontstaansgeschiedenis van een roman. In welk tempo hij vorderde, op welk punt hij tijdelijk vastzat – de notities zijn te summier om echt iets toe te voegen aan ‘OvdH’, zoals Mulisch de roman afkortte. Boeiender is hoe hij zich laat afleiden door de eerste Golfoorlog, de hilarische confrontatie met een computervirus of de ontwikkelingen in zijn privéleven: zijn beroerte, de geboorte van een zoon. Ook biedt het boek een helder inkijkje in zijn mythisch denken en zijn karakter. De trots op steeds opnieuw genoteerde erkenning is zo groot dat het verdacht veel op ijdelheid lijkt.
(Eerder gepubliceerd in BOEK 6, 2012)

Harry MulischLogboek 1991-1992 (256 p.) – De Bezige Bij, € 18,90, ISBN 978 90 234 2836 7

vrijdag 9 november 2012

Onafhankelijke Vlaamse boekhandels heten Confituur (Boekblad)


Drieëndertig onafhankelijke Vlaamse boekhandels gaan verder als Confituur. Op 12 december, de eerste Dag van de onafhankelijke boekhandel, geven ze een geschenkboek van Marc Didden weg.

Dat maakten de boekhandels maandag op de Boekenbeurs bekend. De naam ontstond uit een grap, vertelt Paul Luyten van boekhandel Walry in Gent. ‘We hadden het over fruitnamen. Maar Apple heeft appel al enzovoort. Toen zei iemand: al dat fruit, in verschillende formaten en smaken bijeengebracht in confituur, dát is ons verbond. Confituur heeft bovendien alle trends en hypes overleefd. Het komt altijd fris voor de dag. En: het plakt. Ook wilden wij het graag kleurrijk en licht houden.’
De 33 leden, met gezamenlijk 37 winkels, behouden onder deze vlag hun eigenheid. Luyten: ‘Maar wij vormen nu eenmaal een groep. Door daar een naam voor te kiezen kunnen wij ook als groep optreden of een mening geven.’ Bijna alle algemene zelfstandige boekhandels hebben positief gereageerd op de oproep van de stuurgroep om lid te worden. Er zijn slechts twee, kleinere winkels die vooralsnog buiten Confituur blijven, maar Luyten hoopt die nog te overtuigen.
Naast het gezamenlijke magazine dat Confituur al langer plant, roept het 12 december uit tot de jaarlijks te vieren Dag van de onafhankelijke boekhandel. Klanten krijgen die dag bij aankoop van een boek gratis het ongeveer dertig pagina’s tellende Wie slim is, vist hier van journalist / filmmaker Marc Didden. De titel verwijst naar een uithangbord van een New Yorkse boekhandel dat inmiddels failliet is. Het boek is dan ook, zoals de ondertitel luidt, ‘een ode aan de onafhankelijke boekhandel’.
Ook heeft de Confituur-groep een eigen bladwijzer gemaakt. Onder de kop ‘slimme lezers kiezen voor de onafhankelijke boekhandel; en ze hebben daar goede redenen voor’ worden zes argumenten pro-zelfstandigen opgesomd. Dat zijn: de boekhandel als culutrele ontmoetingsplaats, het gevarieerde aanbod, het deskundig personeel, de uniciteit van iedere winkel, de positieve invloed op de stad of de buurt en de kleinschaligheid.
Daarnaast wil Confituur kijken wat het meer kan doen dan alleen gezamenlijke marketingacties. In februari wordt tijdens een rondetafelconferentie met alle leden een inventaris gemaakt van alle wensen, ergernissen en verzuchtingen – om daar vervolgens actie op te ondernemen. Met uitgevers, politiek en boekenvakgremia als Boek.be en het Vlaams Fonds voor de Letteren wil de Confituur-groep in gesprek raken over de mogelijkheden.
Zestien onafhankelijke boekhandels bemannen momenteel de stand die voorheen van Colibro was. Vanaf morgen staat op die stand een groot bord met de nieuwe naam erop. Tot nu toe is de verkoop, net als bij andere standhouders, ‘zeer goed’, aldus Luyten. Volgens hem heeft het publiek sympathie voor de boekhandels, ‘maar dat is niet onze eerste zorg. Het is vooral belangrijk dat uitgevers, instellingen, stadsbesturen ervan overtuigd raken van het belang en de rijkdom van zelfstandige boekhandels, dat die naast de ketens bestaansrecht hebben.’
(Eerder gepubliceerd op Boekblad.nl, 5 nov 2012)

Zie ook:

donderdag 8 november 2012

'Post Mortem' van Peter Terrin op 17 nieuw binnen in de Bestseller 60

Wat zal dit jaar het verkoopeffect zijn van de winnaar van de AKO Literatuurprijs? Een dag na de bekendmaking vorige week gingen in veel boekhandels de resterende exemplaren op voorraad over de toonbank. In de loop van de week kwam de nieuwe druk binnen, waarvoor de drukker in de nacht van maandag op dinsdag al het startsein had gegeven. Dat alles leidde tot de binnenkomst van Post mortem van Peter Terrin op 17 in de Bestseller 60.
Dat is de slechtste prestatie sinds 2006, toen De bekoring van Hans Münstermann op 31 binnenkwam. Ligt het aan de gebrekkige beschikbaarheid? Vreest het publiek de moeilijkheidsgraad van de inderdaad gecompliceerde roman? Of vreest de boekhandelaar zijn publiek daarom teleur te stellen, waardoor hij liever andere romans adviseert? De tijd zal het leren. Persoonlijk hoop ik dat Post mortem nog weken, maanden in de top tien bivakkeert.
Voor de verkoopresultaten van AKO-winnaars in het verleden: zie hier. Een kleine aanvulling daarop: Marente de Moor kwam binnen op 7, steeg door naar 4 en hield het in de Bestseller 60 vol tot week 8 van het volgende jaar. Dat maakt 16 weken in totaal. Ook een gebonden versie stond één week, in de week na de uitreiking, bij de zestig bestverkopende boeken.

PS. Ook een andere genomineerde staat een week na de uitreiking in de Bestseller 60: Grip van Stephan Enter. Op 53. Dat is, voor zover ik me kan herinneren, wel uniek.

PS 2. Ook de heruitgave van De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans staat, zoals hier voorspeld, in de bestseller 60: op 36.

woensdag 7 november 2012

Omroep Brabant vertaalt dialectsprekers nooit (Taalpeil)


Eigenlijk is het simpel. Omroep Brabant zendt uit voor heel Brabant, luisteraars mogen dus zeker Brabantse woorden en uitdrukkingen horen. ‘Al onze presentatoren komen hier vandaan,’ zegt hoofdredacteur Henk Lemckert (zelf geen Brabander van origine). ‘Als je overdag naar Richard van den Beld of Eefke Boelhouwers luistert, leer je aardig wat Brabants. Zeker Eefke kan bij een spelletje tegen een vrouw aan de telefoon zeggen: Vrouwke, hedde gij ‘r zin in vandaag. De enige beperking is dat het grote publiek ons kan blijven volgen.’
Plat Brabants bezigen verslaggevers en presentatoren daarom niet. Het verschil tussen Oost-Brabant en West-Brabant is te groot, er bestaat geen algemeen Brabants dialect. Lemckert: ‘Te veel luisteraars beheersen een specifiek dialect niet. Of ze zijn niet oorspronkelijk van hier, die mensen willen we ook niet uitsluiten.’ Maar verboden is plat Brabants niet. Als een dialectspreker belt, wordt die ‘absoluut niet’ vertaald. ‘Op maandagochtend kijken we met René en Willy van de Kerkhof terug op het voetbal van afgelopen weekend. Zij komen uit Helmond, ook een apart dialect. Af en toe denk je: wat zegt-ie nu? Maar het is wel te volgen. Die couleur locale willen we graag behouden.’
Ook besteedt Omroep Brabant, als daar aanleiding toe is, altijd aandacht aan dialectnieuws. ‘Sinds 1 maart hebben we op internet ook Café de zachte G, dat non-stop Brabantse muziek uitzendt,’ zegt Lemckert. ‘Ook veel in dialect. Het is een uitbreiding van het programma op de radio, iedere avond van zeven tot acht. We merkten dat daar veel behoefte aan is bij een vaste doelgroep.’
(Eerder gepubliceerd in Taalpeil. Zie ook gisteren.)

dinsdag 6 november 2012

Hun vinden dat niet bij GTST (Taalpeil)


Modieuze jongerentaal? Die komt er bij Goede Tijden, Slechte tijden niet in, vertelt hoofdschrijver Jantien van der Meer. ‘We werken zo ver vooruit. Als de scènes die we vandaag schrijven worden uitgezonden, lopen we met superhippe woorden alweer achter. Voor Nina – een jonge, bijdetijdse vrouw – hebben we daarom zelf woorden verzonnen die bij haar passen. Cappuccino noemt ze capuchon, zoenen interfacen. Zo heeft ze toch een geloofwaardig hip taalgebruik dat past bij haar karakter.’
Ondanks het verzonnen vocabulaire moet het taalgebruik in de soap zo min mogelijk opvallen. Taal is een instrument om de dramatische spanningen tussen de personages tot het kookpunt op te voeren, hun woordkeus moet daar niet van afleiden. In theorie kan onverzorgd Nederlands of overvloedig schelden een verwijdering veroorzaken tussen Bing en Sjors, maar in de tien jaar dat Van der Meer voor de soap werkt, is het Nederlands nooit gebruikt als dramatisch gegeven. Liefde of drugs zijn interessantere onderwerpen.
De vijf dialoogschrijvers die ieder één aflevering per week schrijven, hebben dan ook de opdracht om zo gewoon mogelijk Nederlands te schrijven. Middle of the road-Nederlands, noemt Van der Meer het. Iedereen uit de doelgroep van 8 tot 80 jaar moet de gesprekken kunnen volgen. ‘Het moet geen Jip-en-Janneketaal zijn,’ zegt Van der Meer, ‘maar: doorsnee. Woorden die iedereen kent. Geen gezegdes, die zijn te cliché. En niet te veel Engels. “I don’t care” kan prima “kan me niet schelen” zijn. GTST is een Nederlandse serie.”
Alle gesproken zinnen moeten grammaticaal correct zijn. ‘Toen we Noud introduceerden, de schoonzoon van Ludo die van de straat komt, zei hij dingen als: hun vinden dat. Maar daar zijn we snel mee opgehouden. Het werkte niet. De scènes draaien om hoe het mis gaat tussen Ludo en hem. Daar zoomen we op in. Als een kijker dan een personage de hele tijd verkeerde dingen hoort zeggen, leidt dat veel te veel af.’
De belangrijkste richtlijn is echter: niet grof zijn. ‘We hebben een enorme kijkersgroep,’ zegt Van der Meer. ‘We willen niemand voor het hoofd stoten. We willen niet dat iemand afhaakt omdat er wordt gevloekt – zoals er bij ons ook nooit flink wordt gezopen. We zijn een beetje braaf. Ik heb liever dat iemand zegt: “Dan stik je er maar in” dan “krijg de kankertering”. Alleen bij hoge uitzondering mag iemand vloeken. En dan nog verander ik kut altijd in stik. Dat woord klinkt is een beetje jaren vijftig, maar ik heb daar nooit iemand over horen klagen.’
Alle nadruk op de onopvallendheid van de taal houdt geen verbod op creativiteit in. Integendeel. Het taalgebruik moet helpen de twintig karakters in te kleuren. ‘Ludo is een succesvolle zakenman. Hij mag woorden gebruiken als rudiment, woorden die níet iedereen kent.’ En als Rik zijn liefde aan iemand verklaart, kunnen schrijvers niet aankomen met clichés als: jij bent de zon en de maan voor mij. ‘Iedere week kom ik wel iets tegen waarvan ik denk: mooi gevonden.’
Zo oefenen de dialoogschrijvers van Goede tijden, slechte tijden ongemerkt hun invloed uit op het taalgebruik in Nederland. ‘In een reclame voor Amstel bier noemen mannen allemaal synoniemen voor tongen. Daar zat ook interfacen bij. Daar keek ik aangenaam van op.’
(Eerder verschenen in Taalpeil, het jaarlijkse onderzoek van de Nederlandse Taalunie. Zie hier.)

zondag 4 november 2012

Matchboox brengt nog een postume publicatie van Komrij (Knack)


Nog een postume publicatie van Gerrit Komrij. Dat is het gisteren verschenen Matchboox Alles blijft: een uitvouwbaar boekjes in een luciferdoosje.

De tekst is niet nieuw. Komrij publiceerde het gedicht in 2001 in de bundel Luchtspiegelingen. Het stond ook afgedrukt op de rouwkaart voor de op 5 juli overleden schrijver. Maar Komrij heeft persoonlijk toestemming gegeven voor gebruik van het gedicht, zegt Louis Gauthier. Zijn bijdrage aan de box met vier Matchboox die de componist en multimediadesigner heeft gemaakt, was zelfs ‘de laatste samenwerking van Komrij’.
Aanvankelijk was het de bedoeling dat Komrij een gedicht speciaal voor de Matchboox schreef, ‘maar dat kwam er niet meer van omdat hij al te veel met zijn gezondheid sukkelde’, vertelt Gauthier. ‘Toen hij in februari voor de presentatie van zijn roman De loopjongen in Amsterdam was, hadden we een goed gesprek over alles in zijn hotel. Daarin zei hij: Alles blijft, denk daar eens aan. Dat heb ik goed in mijn oren geknoopt.’
Alles blijft gaat over de spanning tussen vergankelijkheid en eeuwigheid en de verhouding daarmee tot je eigen leven, en eindigt met de regels: ‘Je bent een deel van alles bij je leven / En alles blijft bestaan wanneer je sterft.’ Behalve dat het gedicht Komrij dierbaar was, is de tekst perfect om te gebruiken als het in memoriam dat deze Matchboox moest zijn, vindt Gauthier.
Voor de tekst gebruikte Gauthier Komrij’s eigen handschrift. Beiden werkten in 2009 samen aan de cd Dansen op Spijkers, waarvoor Gauthier muziek maakte op de door de dichter zelf ingesproken gedichten. Alles blijft is een van de tracks op de cd. ‘Hij had bij de opnames de tekst niet bij zich en schreef die toen eerst snel op een blaadje. Dat originele manuscript heb ik uiteraard bewaard.’
Het beeld dat Gauthier nu bij de tekst maakte is bedoeld als ode aan de vriendschap. Onderin bevindt zich een zwarte reep: dat is de aarde. Daarboven roept hij met veel roze het gevoel van een feeërieke zonsondergang op. Tegen die achtergrond plaatste hij elementen van de vriendschap, zoals twee paarden omdat Komrij’s vriend Charles Hofman zo van paarden houdt. De Matchboox is door Gauthier ook opgedragen aan Hofman.
Alles blijft is na de gedichtenbundel Boemerang de tweede postume publicatie van Komrij. Behalve Komrij werkte Jules Deelder (Rotown magic), Remco Campert (Poes is dood) en Charlotte Mutsaers (Sodom revisited) mee aan de ‘Gauthier collection’ van Matchboox. De box is hier te bestellen.
(Eerder gepubliceerd op Knack.be, 2 nov 2012)